Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

404

Bijlage E (Faillissementswet). — Artt. 203—214.

Tiende Afdeeling.

Bepalingen van internationaal recht.

Art. 203, enz.

Elfde Afdeeling.

Van rehabilitatie (1).

1. In rehabilitatie moet niet worden gezien een herstel in eer.

Het faillissement, als gerechtelijk beslag op het vermogen, betreft alleen de goederen, niet den persoon van den schuldenaar.

De rehabilitatie heeft alleen ten doel het feit te constateeren, dat de schuldenaar zijn schuldeischers heeft bevredigd en dit in het bij art. 19 vermelde register openbaar te maken.

Tot het verkrijgen van rehabilitatie behoeft niet volledige afbetaling, maar slechts voldoening, ten genoege van elk der schuldeischers, te worden aangetoond.

Verg. Mr. J. D. Veegens, De wet op het faillissement en de surséance van betaling, 2e druk, blz. 176.

Art. 206, enz.

TITEL II.

Van Surséance van betaling (1).

1. Surséance van betaling heeft ten doel schuldenaren, die tijdelijk in ongelegenheid geraakt zijn, in staat te stellen na verloop van eenigen tijd hun verplichtingen na te komen. Zij_kan te pas komen wanneer de zaken van den schuldenaar wel levensvatbaarheid bezitten, doch zijn vastgeraakt, bijv. door te groote uitbreiding in verhouding tot het bedrijfskapitaal. In dergelijke gevallen zou bij faillissement en vereffening een groot deel der waarde van het vast kapitaal verloren gaan. De grondslag der surséance is vertrouwen in de zaak en in den persoon van den schuldenaar. Mr. J. D. Veegens, De wet op het faillissement en de surséance van betaling, 2e druk, blz. 179.

Art. 213. De schuldenaar, die voorziet, dat hij met betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, doch aantoont dat er vooruitzicht bestaat, dat bij na verloop van eenigen tijd aan al zijne verphchtingen zal kunnen voldoen, kan surséance van betaling bekomen.

Art. 214. Hij zal zich daartoe, onder overlegging van een door behoorlijke bescheiden gestaafden staat, als bedoeld in art. 96 (1), bij verzoekschrift, door hem zelf en zijnen procureur onderteekend, wenden tot de rechtbank aangewezen in art. 2 of art. 3 (2).

1. Uit dien staat moet blijken de aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag der vorderingen van ieder hunner.

2. In het algemeen de Rechtbank van de woonplaats des schuldenaars of indien de schuldenaar zich buiten het Rijk in Europa heeft begeven, de Rechtbank zijner laatste woonplaats (art. 2).

De gehuwde vrouw, die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent of

Sluiten