Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

79

Holland aan de gemeentebesturen in hun gewest, dd. 27 April 1914, G. S. no. 102/2, heeft de Minister van Binnenlandsche Zaken in dezen zin een beslissing genomen.

Eén ding valt steeds in het oog te houden: de testator of de schenker blijft onbeperkt vrij in de bestemming van zijn making of gift. Hij kan zelfs den term: „algemeene armen" overnemen en daaraan een eigen uitlegging geven. De wettelijke bepaling geldt alleen daar waar de zelfbepaling van testator of schenker niet volledig is.

De hulp van den armenraad voor de verdeeling van gelden behoeft niet beperkt te blijven tot het in art. 16 der wet aangegeven geval. Zooals reeds bij de bespreking van den armenraad bleek, behoeft de wettelijke beschrijving van 's raads taak niet limitatief te worden opgevat. Bij de vraag, of iets tot zijn taak behoort, valt niet in de eerste plaats angstvallig rekening te houden met de letter der wet. Van meer belang is: wat is het karakter van het instituut in des wetgevers gedachte geweest? Staat den raad dat karakter helder voor oogen, dan zal hij menigmaal werk vinden, waarvan de wet niet rept, waaraan de wetgever zelfs niet gedacht kan hebben!

11. Het tweede hoofdstuk, bevattende de artt. 17—27, geeft voorschriften voor de oprichting en opheffing van burgerlijke en gemengde instellingen, voor de reglementen van de burgerlijke instellingen, voor het geldelijk beheer, met verruiming van het beleggingsgebied, en voor de begrooting en de rekening van ontvangsten en uitgaven. Ook hier is menige verandering en verbetering van de oude wet aangebracht, maar het schijnt niet noodig, dat alles in dit overzicht te bespreken.

Oprichting en opheffing van burgerlijke en gemengde Instellingen.

12. Art.- 5 van de vervallen Armenwet bepaalde o. m., dat de reglementen van de gemengde instellingen zouden worden herzien of vastgesteld door den gemeenteraad en het betrokken kerk- of bijzonder bestuur gezamenlijk. Art. 20 van de nieuwe wet spreekt ook van „gezamenlijk". Een wijziging van het reglement van het Burger-Weeshuis te Aardenburg, een gemengde instelling, gaf aan de Kroon aanleiding, zich uit te spreken over de beteekenis van die bepaling. De regeling van het weeshuis berustte op een conventie, in 1819 gesloten tusschen het gemeentebestuur, den kerkeraad der Ned. Herv. gemeente en het Roomsch Kath. armbestuur. De gemeenteraad wilde ook de Doopsgezinden in het bestuur opnemen en het aantal

ARTIKEL 20. Gezamenlijke vast»

stelling van het reglement van eene gemengde Instelling.

Sluiten