Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elementen, welke ongetwijfeld voor de industrie van groote waarde zouden kunnen zijn.

Waar het hier geldt, niet slechts een belang voor de kunst op zich zelve, maar wel degelijk, —■ zooals wij betoogden, een economisch, dus inderdaad wel zeer algemeen belang, daar kan niet te dikwijls aangedrongen worden op een nauw en innig samenwerken van kunst en industrie. Temeer is dat noodig omdat vele industrieelen, wier bedrijf allereerst in de termen valt een k u n s t-nijverheid te zijn, ten onrechte meenen dat zij in dat bedrijf kunst en nijverheid toch wel laten samenwerken.

Ten onrechte, — waar zij het kunstelement in hun bedrijf zoeken te brengen door toepassing van de vormen uit alle stijlperioden. Hiermede wil geenszins gezegd zijn, dat verschillende historische stijlen geen kunst hebben opgeleverd. Het ware absurd, dit te beweren. Maar toch is de toepassing van oude stijlvormen in de nijverheid van onzen tijd niet zonder bedenking.

In de eerste plaats is daar het bezwaar dat de kunst zelve nood lijdt tengevolge van het gebruik van oude stijlvormen. Welk bezwaar aangetoond wordt door de vraag te stellen wat er — in esthetischen zin — terecht gekomen zou zijn van bijvoorbeeld, den bloeitijd van de 17de eeuw in Holland, wanneer de Hollanders in dien tijd, in de plaats van zeiven een nieuw vormensysteem - een stijl — te scheppen, zich hadden tevredengesteld met het copieeren en compileeren van allerlei vormen uit vroegere stijlen.

Een tweede bezwaar is in den vorm en de voorwaarden waaronder de huidige meubel-industrie wordt gedreven. De industrie van thans sluit, uit haar aard, liefde voor het werk, om het werk zelf, bij den maker uit. En schoonheid zonder liefde is ondenk¬

baar. Welnu, de eenige thans nog denkbare liefde in de industrie is die van den vormgever, van den ontwerper, voor de vormen welke zijn eigen geestesproduct zijn, welke hij inderdaad geschapen heeft.

Maar de industrie verwaarloost nog veel te veel de krachten, welke zij uit de moderne kunst tot eigen versterking zou kunnen aanwenden en het gevolg is, dat die krachten verschrompelen door werkloosheid dat, wat met zooveel hoop en enthousiasme en goede belofte is begonnen, ten slotte is verslapt en machteloos geworden en een kwijnend bestaan lijdt, tot schade van kunst en industrie beiden.

Nog tal van andere bedenkingen zijn er, welke wij hier niet allen zullen opsommen. Alleen zij nog gewezen op het groote stijlkundige beginsel, dat de vorm van een ding bepaald dient te worden door materiaal, bestemming en techniek. Welnu: in het huidige bedrijf worden tal van materialen gebruikt welke men te voren niet kende; onze tegenwoordige levenswijze en beschaving stellen eischen, welke nimmer in vroegere tijden bestonden, zoodat vele zaken een andere bestemming hebben gekregen niet alleen, maar bovendien allerlei dingen gemaakt worden welke men vroeger niet kende omdat de bestemming, welke zij hebben, vroeger niet bestond (een automobiel, een spoorbrug, een radiator voor centrale verwarming, een electrischeschel-bouton, enz.).

Ten slotte de techniek: deze is in het algemeen, tengevolge van de steeds verbeterde en verder doorgevoerde toepassing van de machine, zoo ten volle gewijzigd, dat er van vergelijking met oude technieken eigenlijk geen sprake meer kan zijn. Hier hebben wij inderdaad een hoofdfactor. Alle oude stijlvormen zijn ontstaan in en door het handwerk, zij dragen het karakter van het handwerk en een deel van hun schoon-

Sluiten