Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

ontbreken, het onderzocht opium al dan niet, dan wel slechts ten deele, van de Eegie in dat gebied afkomstig kan zijn, en met welke hoeveelheid ruw opium van goede hoedanigheid het door hem wordt gelijkgesteld. Is reeds uitgemaakt, dat geen strafvervolging kan worden ingesteld, dan bepaalt de Directeur van de fabriek der Opiumregie of de Scheikundige bij die fabriek zich tot de opzending van zijne verklaring (1).

(2) De verklaring, in de vorige alinea bedoeld, wordt bij de gedingetukken gevoegd.

(3) Het geldswaardig bedrag van het aangehaalde, de kati ruw opium berekend tegen twintig gulden, wordt uit 's Lands kas uitgekeerd en verdeeld op de wijze als bij artikel 13 is voorgeschreven. Deze uitkeering blijft achterwege, indien de uit te keeren gelden minder zouden bedragen dan een gulden.

(4) Al wat op grond van deze ordonnantie wordt verbeurd verklaard, met uitzondering van waardelooze gereedschappen en verpakkingsmiddelen, welke dadelijk vernietigd worden, wordt onder het ambtszegel van het Hoofd van plaatselijk bestuur opgezonden naar de fabriek der Opiumregie en daar, voor zoover het voor 'sLands dienst bruikbaar v ordt bevonden, ingenomen bij de boeken en overigens vernietigd. Op gelijke wijze wordt gehandeld met opium en gereedschappen, waarvan de eigenaren niet bekend zijn of ten opzichte waarvan uit anderen hoofde geen strafvervolging wegens overtreding kan worden ingesteld.

Artikel 12.

(1) Alle overtredingen der bij deze ordonnantie gemaakte bepalingen, waarop geen bijzondere straffen zijn gesteld worden, — behalve met gevangenis, de eerste maal voor den tijd van één maand tot drie jaren en bij herhaling voor den tijd van drie maanden tot vij f jaren, — gestraft:

indien de hoeveelheid opium, waarmede de overtreding is gepleegd, niet meer bedraagt dan honderd kati's, met eene boete van één duizend tot tien duizend gulden;

indien evenbedoelde hoeveelheid meer dan honderd kat i's bedraagt, met eene boete van één d ui zend tot tien duizend gulden voor de eerste honderd kati's en van honderd gulden voor elke kati meer.

(2) De gevangenisstraf, in de vorige alinea bedoeld, wordt met.

(1) De eerste alinea van dit artikel wordt aldus gelezen ingevolge arti* kei 4 sub 3e & der ordonnantie van 4 Februari 1913 (Staatsblad no. 218).

Sluiten