Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

163

oordeeling kracht van gewijsde zaak heeft bekomen, of nadat in de gevallen bedoeld bij artikel 410 van het reglement op de strafvordering en artikel 525 van het reglement op het rechtswezen in het gouvernement Celebes en Onderhoorigheden en artikel 4?3 van dat in de residentie Menado (vastgesteld bij de ordonnanties van 6 Februari 1882 Staatsbladen n°8. 22 en 27), de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de verbeurdverklaring wordt berust, verdeeld als volgt:

a. aan den aanbrenger of de aanbrengers s/ ;

b. aan den aanhaler of de aanhalers 2/ •

c. aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en het doen der aanhaling hebben medegewerkt y •

blijvende l/7 beschikbaar, ten einde daaruit, ter beoordeeling van den Hoofdinspecteur der Opiumregie, buitengewone belooningen toe te kennen aan personen, die zich ter ontdekking van overtredingen bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt.

(2) Voor zoover betreft de boeten opgelegd door rechtbanken in streken waar de bevolking nog is gelaten in het genot van eigen rechtspleging en waar het gewoonte is dat de boeten geheel of gedeeltelijk onder de leden der rechtbank worden verdeeld of ten goede komen aan andere personen of instellingen dan 'sLands kas, kan door het Hoofd van gewestelijk bestuur van het in de eerste aünea van dit artikel bepaalde worden afgeweken voor zoover de door die rechtbanken opgelegde boeten betreft.

(3) Het Hoofd van gewestelijk bestuur beslist wie als aanbrenger, als aanhaler en als medewerker moeten worden aangemerkt.

(4) Een ieder, die in meer dan één categorie werkzaam is geweest, heeft aanspraak op aandeel uit elke, waarin hij zijne diensten heeft verleend.

(5) De verdeeling tusschen meerdere aanbrengers, aanhalers of andere deelgerechtigden geschiedt door het Hoofd van gewestelijk bestuur naar gelang van ieders verdiensten.

(6) Aandeelen, waarop niemand aanspraak heeft, blijven mede beschikbaar voor de toekenning van buitengewone belooningen op den voet van de slotbepaling in het eerste lid.

(7) De voorschriften van artikel 2 van de resolutie van 16 September 1833 D.' 6 (Staatsblad 11' 56) en van artikel 1, la b van het besluit van 18 September 1853 11' 5 (Staatsblad n' 73) alsmede van het besluit van 11 April 1874 n' 14 (Staatsblad II' 106) blijven gehandhaafd.

Sluiten