Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

216

Artikel 11.

De gezagvoerder, die met zijn vaartuig eene plaats binnen de in alinea 1 van artikel 10 genoemde gedeelten van Nederlandsch-Indië aandoet, is verplicht van het aan boord van zijn vaartuig aanwezig opium, voor zoover dat niet van de regie afkomstig is, onverschillig of dit tot de lading behoort dan wel het eigendom is der passagiers of opvarenden, melding te maken in den praaibrief of — indien ter plaatse van aankomst geen havenmeester gevestigd is — onverwijld na aankomst bij de hoogste plaatselijke autoriteit aangifte te doen.

Artikel 12.

(1) Het opium, dat niet ten behoeve van of voor rekening van het gouvernement of, op den voet van de daaromtrent bestaande of nader vast te stellen bepalingen, van particuliere apothekers of geneeskundigen wordt aangevoerd en niet afkomstig is van de regie, wordt in de bij het laatste lid van artikel 10 bedoelde gevallen, zoodra' mogelijk en in andere gevallen binnen 24 uur na aankomst van het vaartuig, onder bewaking van daartoe door het hoofd van gewestelijk of plaatselijk" bestuur aan te wijzen ambtenaren, aan wal gebracht en in een publiek entrepot of andere wel verzekerde bergplaats opgeslagen (1).

(2) Het is verboden de emballage te openen of het opium over te pakken.

(3) Het hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur kan afwijkingen toestaan van de bepalingen van dit artikel.

(4) Hij stelt, indien hij vergunning verleent tot het aan boord blijven van het opium, het vaartuig onder bewaking van daartoe door hem aan te wijzen ambtenaren.

Artikel 13.

(1) Het opium, dat krachtens het vorig artikel in eene bergplaats is opgeslagen, wordt weder geladen in het vaartuig, waarmede het is aangevoerd.

(2) Het hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur kan om bijzondere redenen vergunnen, dat het opium in een ander vaartuig wordt geladen.

(1) De eerste alinea wordt aldus gelezen ingevolge artikel 1 der ordonnantie van 17 Juni 1915 (Staatsblad no. 412).

Sluiten