Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stroomen door dijken en kanalen in toom worden gehouden. Niet overdadig weelderig was er de natuur, want uitgebreide besproeingswerken moesten het dal vruchtbaar maken; tijdens de allesverwoestende heerschappij van de Turken, die de waterdistributie verwaarloosden, is Mesopotamië weer een woestenij geworden, met slechts schamele dorpen op de plaatsen, waar eens wereldsteden verrezen. 2. GESCHIEDENIS. Voor zoover kan worden nagegaan was het Zuid-Westelijk gedeelte, Chaldea, ongeveer 5000 v. Chr. bewoond door een hoogbegaafden Arischen volksstam, de Sumeriërs, wier geheele kuituur door de Assyriërs en Babyloniërs werd overgenomen, in welke Semitische rassen de Sumeriërs verloren gingen omstreeks 2500 v. Chr.

De Sumeriërs waren de dragers van de Oud-Babylonische kunstontwikkeling. Verschillende koningen heerschten over verschillende stammen, totdat ± 2200 v. Chr. de machtige koning der Chaldeërs Chammurabi het geheele benedenstroomgebied onder zijn heerschappij bracht en Babyion (het oude Babel) tot hoofdstad verhief. Ongeveer 2000 v. Chr. komen de Chaldeërs (Oud-Babyloniërs) in contact met de het Noordelijk stroomgebied bewonende Semitische Assyriërs, een woest en krijgshaftig volk, genaamd naar de hoofdstad As sur aan den rechteroever van den Tigris. De Assyriërs veroveren Babyion en stichten een wereldrijk tot aan de Middellandsche Zee, dat een bloeitijdperk beleefde tusschen 884 en 626, en vooral onder den machtigen koning Sargon II (722-705). Onder Assurbanipal (Grieksch Sardanapalus) verwekten de Babyloniërs opstanden, die eerst succes hadden toen Nebopolassar van Babyion zich verbond met Xyaxares van Medië. De Assyrische hoofdsteden Ninivé, Assur en Kalach (Nimrud, gesticht door Salmanassar) werden grondig verwoest, de Assyriërs voor altijd onderworpen en een Nieuw Babylonisch rijk gesticht, dat slechts van 606-539 zich kon handhaven. Wel werd Nieuw-Babylonië onder Nebucadnezar (604-562) een wereldrijk, werden Babyion en andere Assyrische steden hersteld, doch het rijk was niet sterk door inwendige verdeeldheid en in 538 had de Perzenkoning Cyrus met de verovering dan ook geen moeite. Onder Darius en Xerxes was het rijk geheel bij Perzië ingelijfd. 3. GODSDIENST. Assyriërs en Babyloniërs hadden het geloof van de Sumeriërs overgenomen. Toovenaars (Schamanen, Schamaïsme) met bovennatuurlijke krachten begaafd, waren de tusschenpersonen tusschen menschen en goden. De voornaamste goden waren Anu, de geest van den hemel, en Ea, de geest van de aarde. Hierbij kwamen Samas, de zonnegod, Sin, de maangod, en Ramman, de god van den bliksem. Verder de Semitische god Baal (Bel), de heerscher der wereld en vader der goden, terwijl ook in de sterren goden werden aanbeden, waaronder verreweg de voornaamste was Istar (Astarte. Venus) de godin der vruchtbaarheid.

In Mesopotamië heerschte niet het geloof aan onsterfelijkheid als in Egypte; tengevolge hiervan had de doodenkultuur op de bouwkunst weinig invloed, en zijn er dan ook geen

Sluiten