Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BOUWKUNST DER GRIEKEN.

119

zangen waren aanleiding tot het zich voorstellen der goden in volmaakt menschelijke gestalte; werden oorspronkelijk de natuurkrachten in de vier elementen vereerd: Zeus, Demeter, Hephaestos en Poseidon, na die zangen werd het aantal goden en halfgoden, die den Olympos in het Oosten en zee en bosschen bewoonden, enorm uitgebreid. De Grieken kenden geen priesterheerschappij en geen heilige boeken, maar een godenleer zooals die voortleeft in de mythologie en die ze kenden uit de zangen van dichters als Homerus.

Zeus is de beheerscher van het heelal, vader van goden en menschen: hij woont met zijn gemalin Hera op den Olympos, waar tevens nog 12 goden, met ieder een afzonderlijken invloedsfeer, vertoefden. Zijn broer Poseidon regeert over zee en water, en Pluto is de god van de onderwereld (Hades), het rijk der schaduwen.

De goden die lichamelijk en geestelijk op de menschen gelekerf, bezaten ook menschelijke deugden en ondeugden. Uit den intiemen omgang met den mensch kwamen halfgoden (heroën) voort. Vooral hun lotgevallen leggen de Homerische zangen vast.

4 Voor de bouwkunst onderscheiden we de vier volgende perioden:

l De Mythische, Mykeensche of Voor-Helleensche tijd tot aan de Dorische volksverhuizing (1104).

II. De Archaïsche, van af 1104 tot de overwinning der Perzen en de hegemonie van Athene in 476. Of ook wel, daar van 1104 tot 776, het begin van de tijdrekening volgens Olympiaden, weinig bekend is, van af 776 v. Chr.

III. De bloeitijd van 476 tot 338, omvattend de gouden eeuw van Perikles tot aan de overwinning der Macedoniërs en Alexander den Grooten.

IV. Het Alexandrijnsche of Hellenistische tijdvak, tot aan de onderwerping door de Romeinen, 338—146 v. Chr.

5 De TEMPELBOUW, plattegrond en constructie.

Oorspronkelijk waren er geen tempels, doch de onzichtbare goden werden in dit tijdvak van paleis- en burchtbouw in de vrije natuur aanbeden en de altaren, waarop geofferd werd, stonden eveneens in de open lucht, hoewel binnen een ommuurd terrein. Als in de Homerische zangen, 900 v. Chr., de Olympische goden menschelijke gestalten krijgen, en er dus beelden van vervaardigd worden, ontstaat de behoefte, dezen een woning te verstrekken, die door staten, stammen, steden of vorsten voor de goden werden gebouwd.

De oude godenwoningen geleken op die van heerschers: als type werd voor den tempel de plattegrond gevolgd van het Mykeensche paleis, en de cella, waarin het godenbeeld stond, kwam overeen met het megaron, met vóór een open zuilenhal. Het altaar voor brandoffers bleef nog buiten, op het heilige tempelterrein (temenos, peribolos), waartoe een poortgebouw (propylaion) toegang verleende.

Het paleis te Tiryns had reeds een omgang om het megaron; ook de tempel verkreeg spoedig een zuilenhal rondom de cella, die aan een kant open bleef en vrij zich op een hoogen trapvormigen onderbouw boven de omgeving verhief. Daar het oudst bekende Grieksche tempeltype reeds zoon zuilenomgang vertoont, lijkt de veronderstelling juist, dat de eenvoudiger typen werden toegepast voor kleinere bijgebouwen, zooals schatkamers.

Wat de Oostersche volkeren zochten te bereiken door kolossale afmetingen en kostbaar

Sluiten