Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BOUWKUNST DER GRIEKEN.

125

, een geprofileerde basis en dito kapiteel voorzien, terwijl de schacht vlak blijft. Ten slotte kunnen ook de halfzuïlen van de pseudoperipterostempels als muurverzwaringen worden aangemerkt.

Behalve door den ingang, die van het stylobaat tot aan het dak doorloopt, zijn de cellamuren niet onderbroken. Vensters zijn niet aanwezig, behalve aan het Erechtheion. Wel zijn soms cellamuren en anten verjongd.

De cella ontving uitsluitend licht door den ingang, als deze niet door een deur van, vaak 11 verguld, brons was gesloten. Dan viel het licht door een bovenlicht van den ingang, dat slechts door traliewerk was afgesloten. Daar de cella was georiënteerd, d. w. z. de deur naar het Oosten was gericht, was het invallend licht voldoende, temeer daar de ceremoniën werden gehouden bij opkomende zon, die haar stralen wierp tot achter in de cella.

Ook wordt aangenomen, dat mogelijk in de cella licht ontvangen werd door een opening in het midden van het dak. In dit geval worden de tempels Hypaetraaltempels genaamd, waarvan het bestaan echter ook wordt ontkend. ')

De zuilen dragen het hoofdgestel, dat 3 deelig is en bestaat uit; a. de architraaf, b. het fries Fig. 129. 8. en c. de kroonlijst.

De architraaf bestaat uit steenen balken, die een lengte hebben van zuilas tot zuilas. Om Fig. 129. og. het gevaar van breken te verminderen en het gemakkelijker omhoog brengen te bevorderen, bestaat ze uit 2 of 3 balken, achter elkaar op den smallen kant geplaatst. De uiteinden van de zolderbalken rusten erop.

Het fries (zophoros, thrinkos, beeldfries) volgt op de architraaf, en hierop rust de Fig. 129. 8 kroonlijst (geison, corona), die ver buiten het fries uitspringt en aan de overigens vlakke Fig. 129.86. constructie een rijke schaduwwerking geeft. Het bovenste deel van de kroonlijst wordt gevormd door de gootlijst (sima), die het opgevangen regenwater afvoert door leeuwenkoppen, Fig. 129.8a. z.g. waterspuiers of waterspuwers.

Het dak zelf is zadelvormig, met een helling van 1 :7 of 1:8. Op de houten spanten liggen Fig. 128. 1. groote tegels (imbrices), die oorspronkelijk van gebakken klei, bij rijker uitvoering van marmer zijn gemaakt; over de voegen liggen dan holle tegels (kalypteres), die over de nok bijzonder gevormd zijn, evenals beneden bij de gootlijst. Daar, waar de kalypteres beneden eindigen Fig. 128.8,9. zijn vertikale, meest palmetvormige antefixa op de sima geplaatst.

De driehoekige geveluiteinden (frontons, aetos) worden eveneens door een schuinoploopende kroonlijst afgedekt. Op den top en aan de benedenhoeken staan nok- en hoek-a/croferrëri (eindbloemen). Ze staan op een plint, en worden ook wel vervangen door flgurale voorstel- Fig. 128. 7. lingen, vazen of griffioenen. Het fronton zelf, het tympanon, is het hoofdmoment van het geheele gebouw en steeds met figuraal beeldhouwwerk van bijzondere schoonheid en gebonden compositie gevuld.

') Het is moeielijk aan te nemen en zeer onwaarschijnlijk, dat het kostbare godenbeeld en de prachtige offergeschenken aan den invloed van regen en zon zouden zijn blootgesteld. Zelfs een kleed, dat bij regen de opening zou kunnen sluiten, had het beeld niet tegen het weer kunnen beschutten.

Sluiten