Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

352

DE ROMAANSCHE BOUWKUNST.

Romaansche stijl door de Gothiek werd verdrongen, stond hij op het hoogtepunt van zijn bloei en had zichzelf nog geenszins overleefd; zonder de Gothiek zou hij zich stellig verder hebben ontwikkeld.

Daar in den Romaanschen stijl bijna uitsluitend van den rondboog wordt partij getrokken voor constructieve (gewelven en ontlastingsbogen) en decoratieve (blindbogen, arcaden) doeleinden, wordt hij ook wel rondbogenstijl genoemd : eerst in het overgangstijdperk vindt de spitsboog; ontleend aan de Arabieren, doch vermoedelijk ook op sommige plaatsen zelfstandig gevonden, een veelvuldige toepassing.

3. Voornamelijk drie groote volkerengroepen, bewoners van West- en Midden-Europa, brachten de Romeinsche bouwkunst tot hoogere ontwikkeling, te weten:

1. De Germanen, die Duitschland bewoonden, en die, daar ze grootendeels van vreemde invloeden vrij bleven, in hun monumenten een zuiver, maar niet altijd fraai) karakter weten te leggen. Hier deed zich de kloosterorde der Cisterciensers gelden, die geen rijkdom en weelde bestreed.

2. De Galliërs, bewoners van Frankrijk, die, vooral in het Zuiden, voortbouwen volgens Romeinsche en, een weinig, ook Byzantijnsche tradities, terwijl ook, vooral in Midden-Frankrijk, Arabische invloeden merkbaar zijn. De kloosterorde van Cluny in Bourgondië (Cluniacensers", volgend de strenge wetten van eenvoud der Benedictijner

monniken) kan niet, als in Duitschland de Cisterciensers, een grooten invloed doen gelden, daar in Frankrijk niet, als in Duitschland ónder de Saksische keizers, een algemeene staatkundige rust heerschte.

3. De Longobarden, in Lombardije, boven.Jtjalië. De nieuwe bouwkunst in de groote Italiaansche steden als Milaan en Pisa. die onafhankelijk waren op politiek gebied, bleven begrijpelijkerwijze op gebied der bouwkunst afhankelijk van de klassieken en van de Oud-Christelijke kunst, maar gaven hieraan toch een bijzonder eigenaardig karakter.

DE KERKELIJKE BOUWKUNST.

De bouwbedrijvigheid concentreerde zich voornamelijk op de kerkelijke bouwkunst; behalve kerken zijn er zeer weinig Romaansche gebouwen overgebleven. De namen die de kerken kregen duidden de grootte of de belangrijkheid aan.

Dom, groote hoofdkerk (domus domini, huis des Heeren, domus dei, godshuis); kathedraal, groote kerk, zetel van een bisschop (basilica cathedralis, zetelkerk); munster, kloosterkerk (monasterium), later synoniem met dom. In 't algemeen worden groote Duitsche kerken „dom", groote Fransche kerken „kathedraal" genoemd. Kapittelkerk, verzamelkerk, bestuurd door een kanunnicaat (ecclesia collegiata); en parochiekerk, kerk van een parochie onder bestuur van een pastoor (ecclesia parochialis), de kleinste kerk.

Fig. 348. Kloosterkerk Maria te Laach (bij Andernach, 1093—1156), met mooi atrium.

Sluiten