Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

424

ARTIKEL 3.

(1) Het personeel aan de ziekeninrichting verbonden is behoudens wat de geneeskundigen betreft hunne zelfstandigheid als behandelend geneesheer - aan den Directeur ondergeschikt.

(2) Deze regelt de werkzaamheden van dat personeel met inachtneming van de deswege door den Hoofdinspecteur gegeven of te geven algemeene dan wel bijzondere aanwijzingen.

ARTIKEL 4.

De Directeur is bevoegd aan het in artikel 3 bedoeld personeel ondershands en mondeling vrijstelling van dienst toe te staan, mits voor niet langer dan veertien achtereenvolgende dagen.

ARTIKEL 5.

De' Directeur is overeenkomstig het bepaalde bij artikel 2 van het Gouvernementsbesluit van 15 Juni 1915 No. 22 bevoegd om het onder zijne bevelen staand Inlandsch personeel bij de inrichting onder zijn beheer wegens kleine dienstve'rgrijpen en tekortkomingen te straffen met geldboeten, telkens een bedrag van / 1 (een gulden) niet overschrijdende, met dien verstande dat deze geldboeten te zamen maandelijks, voor ieder, het een vierde gedeelte der maandelijksche bezoldiging niet te boven gaan, zullende deze geldboeten in 's Lands kas worden gestort.

ARTIKEL 6.

(1) De Directeur pleegt met den Inspecteur overleg omtrent de vaststelling van het deel van het aan de centrale burgerlijke ziekeninrichting werkzaamgestelde personeel, over hetwelk de Inspecteur in gevallen van urgentie zal kunnen beschikken in het belang van den dienst buiten de ziekeninnchting. Het overige personeel wordt beschouwd te behooren tot de vaste formatie der ziekeninrichting.

(2) De Directeur geeft den Hoofdinspecteur kennis van het resultaat van het in de vorige alinea bedoeld overleg en dient daarbij indien overeenstemming verkregen is, een staat in, waarin vermeld is welke aan de ziekeninrichting onder .zijn beheer werkzaam gestelde personen moeten worden beschouwd als te behooren tot de vaste formatie en welke niet.

Sluiten