Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het de taak der muziek is, de ,,natuur" weêr te geven, heeft men dan daaronder de innerlijke (subjectieve) natuur — dus het gevoels- en gemoedsleven1) — of de uiterlijke (objectieve) natuur, zooals wij dat woord thans kennen, te verstaan en, in ruimeren zin, moet de muziek van den mensch als centrum uitgaan of van de natuur? Beide vragen schijnen ten nauwste samen te hangen, hoewel hun samenhang vaak meer te voelen, dan te begrijpen is. Het schijnt (want zekerheid bestaat in deze dingen tot dusver nog niet), dat het eerste standpunt gekarakteriseerd zou kunnen worden door de vocale, het tweede door de instrumentale muziek. Het is zeker, dat de eerste de oudste rechten heeft, en in alle tijden waren er, die hiervan zoo sterk overtuigd waren, dat zij alle instrumentale muziek als bederf en verval van de vocale beschouwden *).

Het is een tegenstelling, verwant aan de door Nietzsche het eerst in al hare diepte doorschouwde: die van het Apollinische" en het „Dionysische", uit welker strijd en verzoening hij de geboorte der antieke tragedie verklaarde (een even geniale en stellig beter bewijsbare hypothese, dan die van Schopenhauer over het wezen der muziek), de strijd van het bewuste met het onbewuste van den wilden natuurdrang, van het rationeele en het orgiastische, van het plastische en het muzi-

x) In dezen Renaissancistischen zin roemt Bami, de biograaf van Palestrina (1828), nog vaak de „nabootsing der natuur" in composities van Palestrina, die zuiver geestelijk zijn (bijv. zijne Hoogliedsmotetten).

*) In onze eeuw nog in Duitschland Thibaut en Grell.

180

Sluiten