Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54 FREDERIK VAN EEDEN'S ONTWIKKELINGSGANG

achten, wij haar niet te boven komen; hij kan niet ont* komen aan de erkenning, dat positieve wezenlijkheden strijd voeren in het leven. De harmonie moge primair bestaan, in de wereld, die wij ervaren, istzij niet volledig* verwezenlijkt. Toch moet de laatste grond der dingen in zichzelf volmaakt zijn. In deze moeilijkheden raakt hij verward. Hij tracht ze te overwinnen met ze te verschuiven en neemt een beperkte intelligentie aan als Schepper; zelf creatuur, is deze der creaturen voortbrenger. Als wereld* verklaring van geen waarde, een vergrijp tegen alle logica, vertoont dit einde van het tweede boek van het Lied van Schijn en Wezen bepaald een inzinking.

VIII

De voltooiing van het tweede boek van het Lied van Schijn en Wezen besluit een periode in Van Eeden's evolutie. De strijd wordt daarna naar een ander front verplaatst; een andere vijand, de modernste, die sedert den ondergang van het materialisme zich tegen de menschheid heeft opge* maakt, rukt ten aanval. De vrees voor den dood — waarin toch waarachtig iets als een heilige vrees voor den grooten overgang beeft — samen met de onzekerheid over het hiernamaals, biedt aan de verleiding van het spiritisme een goede trefkans. Huiverend voor 'slevens ongewisheid, waarin alleen het onontkoombaar einde ontzettend zeker is, met pertinenten wil om zich zekerheid te scheppen over het hierna, waarin de oplossing en de vervulling te verwachten zijn, tracht van Eeden den sluier te lichten met het dadelijke experiment.

In de overwinning op het materialisme en het naturalisme tot een zekere mate van inzicht gestegen, worden al zijn over* wegingen door hoogmoed vertroebeld en verward. In het onderscheiden van schijn en wezen poogt hij zichzelf tot voldoende richtsnoer te zijn. Hij is ingegaan tot het eigen zelf, als ware dit de onmiddellijke voorhof tot Gods wezen en geheimenis; zijn vrijheid houdt hij voor het beleven

Sluiten