Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

probleem stil te staan, „doch het moest volledigheidshalveO) worden opgemerkt"1). De meest algemeene eigenschappen der menschehjke natuur, de heerschende zeden en gebruiken, de samenstelling der maatschappij, het zn'n voor Pierson alle begrippen, waaromtrent één universeele, algemeene kennis bestaat, ongeveer zooals men die heeft op het gebied der natuurwetenschappen: immers, „wie al deze begrippen genoegzaam kent, voor hem is het mogelijk in tallooze gevallen met zekerheid de gedragslijn te voorspellen, die door de leden eener sociale groep onder zekere omstandigheden gevolgd zal worden" 2). De grootmeester der Nederlandsche staathuishoudkunde ziet hier, het zij met allen eerbied gezegd, voorbij, dat de wetten, die in de economie kunnen worden geformuleerd als causale verbanden tusschen sociale verschijnselen, onmiddellijke uitvloeisels van psychische faktoren en als zoodanig in de eerste plaats psychologische wetten zijn, die niet maar eenvoudigweg „verklaard" kunnen worden: ik meen in de door Pierson gevolgde methode van behandeling het practische resultaat te zien van een opvatting die, naar de woorden van Land, de wijsbegeerte opzij drong in een hoekje van het academisch stelsel s), en wier aanhangers, in hun „hartstocht voor de werkelijkheid", alleen naar feiten vroegen, alleen feiten wilden leeren kennen en begrijpen, en aldus de oneindige waarde van hun in den grond geestelijke wetenschap voorbij zagen.

Inderdaad zou spoedig blijken, dat een sociale wetenschap, die niet bewust uitgaat van een bepaalde levensbeschouwing, en misschien probeert het zonder wijsbegeerte te doen, op den langen duur tornt aan den hoofdoorsprong Van eigen inzetting. 4)

*) blz. 30. *) blz. 32.

*) De wijsbegeerte in de Nederlanden, blz. 157.

Vgl. ook Van der Vlngt in de „Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts", openingswoord.

*) In dit verband stelt de rede, door Dr. Frijda uitgesproken als privaatdocent onder den titel: „Realisme en theoretische economie" teleur: telkens wordt hier een beroep gedaan op de realiteit, eene zelfbeperking op grond der realiteit, de taal der werkelijkheid, contact (met het reëele, enz., zonder dat op «V „realiteit of irrealiteit der begrippen", op een „realistische probleemstelling" nader wordt ingegaan. Op blz. 17 noemt Dr. Frijda als „het kenmerk van de moderne samenleving de psychische gemeenschap": sluit nu deze zi. toch „realistische behandeling der theoretische economie" zich het meest bij de empirische werkelijkheid aan, op grond waarvan Frijda aan Marshall's Priaeiples onder de economische studiewerken wellicht de eerste plaats toekent?

17

Sluiten