Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het komt mij gewenscht voor het wijsgeerig uitgangspunt van Marx in zijn waarde te schatten en zijn consequenties te volgen, mede ter beoordeeling van de beteekenis, die men aan 's menschen geestelijk zedelijk leven heeft te hechten, om vervolgens aan te toonen, dat de gedachtegang en de voorbeelden, die Marx ter verduidelijking geeft, kortom de geheele terminologie en opzet van „Het Kapitaal", rechtstreeks georiënteerd zijn aan de monistisch materialistische wereldbeschouwing. Ik maak hierbij vnl. gebruik van de scherpe uiteenzetting en teekenende karakteristiek, die Heymans van deze levensleer geeft in zijn „Einführung in die Metaphysik".

In de ontwikkeling van het materialisme, zooals de Groningsche hoogleeraar die schetst, moet men zorgvuldig onderscheiden tusschen het monistisch materialisme van den tegenwoordigen tijd tegenover het dualistisch materialisme, zooals dat zich vroeger openbaarde in een primitief, naïef getint realisme: beide systemen gaan uit van de opvatting, dat al het zijnde van stoffelijken aard is, maar verschillen toch weer in de waardeering van het spiritueele. Het oude realisme meent, dat er in de levende lichamen, behalve de algemeene materie, nog een bijzondere soort daarvan bestaat, waaraan de levens- en bewustzijnsverschijnselen inhaerent zijn, en welke dus niet alleen van stoffelijke, maar evenzeer van geestelijke natuur is; het hedendaagsche materialisme daarentegen huldigt „die Lehre vom allumfassenden, einen, überall wesensgleichen, nur in seinen Wirkungen sich differenzierenden und in dieser Differenzierung auoh Leben und Bewusztsein hervorbrmgenden Stoffe." In het kader van deze voorstellingen is het bewuste leven „nichts weiter als ein relativ zufaliiges, aus bestimmten durch das blinde Spiel der Naturkrafte bisweüen verwirklichten Konfigurationen jener Gegenstande zu erklarendes Ergebnis derselben, also etwas einem Schatten- oder Spiegelbilde Vergleichbar es, welchem kein selbstandiges Dasein, sondern nur der Gharakter einer N ebenerscheinung (Epiphaeno^ menon) beigelegt werden kann."1)

Bepaaldelijk zou op grond van physiologische proeven gebleken zijn, dat het bewustzijn opgevat moet worden als een product van stoffelijke werkingen in de hersenen, en dat deze „voortbrenging van bewustzijn" in laatste instantie plaats vindt overeenkomstig

*) Einführung in die Metaphysik, blz. 106 en 107.

33

3

Sluiten