Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De opvatting van Marx van het zien, volgens welke werkelijk licht van een ding, het uitwendig voorwerp, op eemandeï (Knfe het oog, wordt geworpen, is volkomen gedekt door Dietzgen's gedachtenconstructie, dat „wir sehen und fühlen nicht die Dinge „selbst", sondern nur ihre Wirkungen auf unsere Augen> Hfindej u.s.w." *)'

Aan den anderen kant voert de marxistische omschrijwiag van bewustzijnsprocessen als objectieve verschijnselen, in hare absolute strekking terug naar de philosophie van Descartes, die in het „ik" van, den denkenden mensch dè> eenheid ziet van denken en zijn: als zelfbewust wezen kent de mensch met ontwijfelbare zekerheid in eigen bestaan een. reëelej. niét alleen maar voorgestelde werkelijkheid: cogito, ergo sum. Het is dan ook in dit verband allerminst te verwonderen, dat Descartes door Dietzgen herhaaldelijk met instemming vermeld wordt; in zijn „Briefe über Logik, I Serie, vierter Brief" lezen wij o.m.:

„Der Gedanke, der Intellekt, ist leibhaftig vorhanden, er existiert, und sein Dasein hangt als ein Teil des Gesamtdaseins mit der, ganzen Welt e i n a r t i g zusammen. — Das ist der Kardinalpunkt der nüchternen Logik.

„Die Tatsache, dasz die Gedanken mit den anderen Teilen der Welt von demselben weltlichen Stoff, dasz sie Stücke der gemeinen Natur und keine überschwengliche Essenz sind, hat schon Gartesius mit den berühmten Worten ausgesprochen: „Cogito, ergo sum."

„Mein Denken, sagt der Philosoph, beweist mein Dasein." 2)

Ook in zijn „Das Akquisit der Philosophie, Abschnitt V", lezen wij van Dietzgen's instemming met Descartes: „Jedoch steht seit Gartesius fest, wenigstens in der philosophischen Welt, dasz- das Bewusztsein der menschlichen Seele von ihrem Dasein das Sicherste ist, dasz sie weisz. Die positivste Wissenschaft von der Welt ist die erfahrungsmaszige Wahrnehmung der denkenden Seele von sich selbst. Dieses Subjekt ist das evidenteste Objekt, das sein kann, und das Leben und Treiben dieses Seelenstückchens, das sich Be-

toteles de (beteekenis heeft gekregen van een afgetrokken, algemeene gedachte, van een denkmogelijkherfd in formeel en ain, wordt hier opgevat als een realiteit, welke ook huiten onze gedachten een objectief bestaan heeft. Juist daarom kan Dietzgen schrijven: „Der Begriff des Lichts existierte laagst, ibevor die Wissenschaft ihn anaJlyisderte, bevor ede erkannte, dasz Atherschwinguagen die Elemente bilden, welche den Inchtbegriiff konstituieren." ') Samtliche Schriften, Band I, iblz. 29.

Zie ook A. Mankes—Zerndke, Over historisch materialistische en sociaaldemocratische ethiek, blz. 59 v^v.

') Samtliche Schriften, Band II, blz. 16.

55

Sluiten