Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenenmale ontgaan, dat, naar Kantiaanschen betoogtrant, die „Dinge an sich" de dingen zijn, zooals zij op zich zelf zijn, en dat wij hi deze niet anders kunnen leeren kennen dan door bemiddeling van de aanschouwings- en denkvormen van den menschehjken geest, zonder welke niets in het empirisch bewustzijn kan worden opgenomen. *)

Een andere vraag die kan rijzen is deze, of wij er in moeten berusten, dat wij met al ons weten steeds binnen den kring der verschijnselen blijven, en nooit tot het „Ding an sich" doordringen, en of de leer van Kant, als kenleer opgezet, inleiding kan zijn tot een nieuwe metaphysika, waarin niet de substantie, maar het Denken ( Hegel's idee) de grondslag der werkelijkheid zou zijn: ook Engels is — het blijkt uit zijn betoog — onbevredigd door een kennen, dat ons niet zou openbaren, hoe de werkelijkheid i s, onafhankelijk van onze zinnelijkheid i s. Zoo kwamen in hun verzet tegen Kant's tegenstelling tusschen de fenomenale wereld en de werkelijkheid op zich zelf, waarvan zij de kennis niet wilden prijsgeven, met name Fichte, Hegel en anderen er weer toe, het transcendentale standpunt te verlaten, en vielen terug in de ouderwetsche metaphysika, maar de grondslagen, waarop zij hunne systemen bouwden, waren beter gefundeerd dan de naïeve natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing van Engels en Dietzgen: inzoover deze door hen wijsgeerig is onderlegd, berust zij op een onjuist gestelde praemisse, en inzoover zij kritisch verdedigd wordt, gaat zij uit van een misvatting van anderer denkbeelden, met name van Kant's noumenale, intelhgibele wereld, de wereld der „Dinge an sich", die voor altijd voor ons afgesloten is, tegenover de fenomenale wereld, de wereld der verschijnselen, die alleen onder ons bereik ligt. 2)

*) Dezen zelfden gedachtengang .vindt men terug bij Dietzgen, Streifzüge eines Sozialisten, lAibschnitt IV. (SamtMche Schriften, Band II, blz. 235).

Woltmann schrijft naar aanleiding van dit betoog van Engels:

„In diesen Satzen glaubt Engels, Kants kritische Lehre vom „Ding an sich" als eine philosophische Schrulle widerlegt zu haben. Kenner der kritischen Philosophie werden sich eines Ladhelns nicht erwehren können. Denn erstens ist festzustellen, dasz Engels gar keine richtage VorsteUung von Kants Lehre hat, dasz zweitens seine angebliche Widerlegung des Kantisehen „Ding an sich" ein Gediankengang ist, der sich (bei Kant selbst schon findet, und dasz schlieszlich Engels über das „Ding an sich" in letziter Instanz selbst nichts zu sagen weisz — wie alle anderen Menschenkinder." (t.a.p. blz. 306).

2) Hegel noemt in dit verband Dinge an sich „Ndohtse", maar in zijn gedachtengang is deze qualificatie duidelijk: wanneer inderdaad de beweging van het „denken" samenvalt met die van het „zijn", dan kan er geen aan het denken vreemde, irrationeele, gegeven inhoud meer bestaan.

61

Sluiten