Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten aanzien van den godsdienst wensen ik met een enkel kenmerkend citaat te volstaan, ontleend aan het eerste hoofdstuk, De Waar, waarin Marx in de vierde onderafdeeling „Het afgodskarakter van de Waar en zijn Geheim" schetst:

„De oude maatschappelijke produktieorganismen zijn buitengewoon veel eenvoudiger en doorzichtiger dan de burgerhjke, maar zij berusten öf op de onrijpheid van den m&vidueelen mensch, die zich van de navelstreng der natuurlijke verwantschap met anderen nog niet losgerukt heeft, öf op directe heer- en knechtverhoudingen. Zij worden gekenmerkt door een geringe produktivi!teit van den arbeid, en overeenkomstige bekrompen verhoudingen van de menschen in het produktieproces van hun stoffelijk levensonderbwwkd, derhalve tot elkaar en tot de natuur. Deze werkelijke bekrompenheid weerspiegelt zich ideëel in de oude natuur- en volksgodsdiensten. De godsdienstige weerschijn van de werkelijke wereld kan over het geheel eerst verdwijnen, zoodra de toestanden van het praktische leven van eiken dag voor de menschen den vorm aannemen van volkomen doorzichtige, redelijke betrekkingen tot elkaar en tot de natuur."

meer dan eens de aandacht op gevestigd, dat hunne levensleer eenvoudig als de eenig ware, juiste, wordt geponeerd, maar waarom Bij nog iets anders wil zijn dan verklaringsobject, waarom zij wil gelden, «Lw.z. waarheidswaarde «bezitten, deze vraag is alleen gesteld, maar niet besproken. Wij staan dan ook hier voor het fundamenteele probleem, wat toch (die waarheid isr waaraan hum .philosophie deel beweert te hebben, waarop dat „gelden" berust, waarop zij aanspraak maakt voor haar beweringen: hoogstens kunnen wij zeggen dat, als „zelfbezinning noodig is daarop, wat wij onder waarheid verstaan en vaststelling van al datgene, wat als onbetwijfeilbaar moet voorondersteld worden, aanvaard moet worden, wanneer woorden als waarheid, als werkelijkheid, als ervaring dier werkelijkheid ndet zinledig zullen zijn?', Marx en Engels die ware werkelijkheid — schering en inslag in hun betoog — kinderlijk-naïef hebben opgevat. Het kernprobleem van Kant's wijsbegeerte, zijn geheele onderzoek naar de Möglichkeit der Erfahrung als poging om te geraken tot een formiuleering van die zoo even genoemde, onbetwijfelbare stellingen, dit kernprobleem is in de sociaal-democratische philosophie zelfs niet benaderd, integendeel verkeerd gesteld: met name noemt Engels „den Kant'schen „kategorischen Imperativ" ohnmaehtdg, weil er das Unmógliche fordert, also mie zu etwas Wirklichem komont", en verwijt hij bovendien aan Feuerbach, dat „weder' von der wirklichen Natur, noch von den wirklichen Menschen er uns etwas Bestimwtes zu sagen weisz." Vgd. hierboven blz. 61 en 64.

94

Sluiten