Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijving niet overeenkomt de opvatting, die Marx tracht te geven van wat hij begrijpt onder abstract algemeenen arbeid als Tauschwertsetzende Arbeit. Neemt men toch kennis van zijn verschillende uiteenzettingen zoowel in Zur Kritik als in Het Kapitaal, dan komt men ontegenzeggelijk onder den indruk, dat Marx onder gelijken menschelijken arbeid verstaat wat aan de concrete vormen van den productieven arbeid, uitdrukkelijk ontdaan van het karakter als nuttigen, bijzonderen arbeid, gemeen is; deze „algemeene verschijningsvorm van menschelijken arbeid" kan niets anders zijn dan de grootste gemeene deeler van alle ervaringen omtrent den arbeid, verricht op het geheele gebied van het maatschappelijk leven, welk ook: zóó sterk heeft deze opvatting Marx voor den geest gestaan, dat hij in Zur Kritik deze „einfache Arbeit" zelfs omschrijft met wat de Engelsche economisten onder den term „unskilled labour" verstaan.

Begrijpt Marx nu echter onder den arbeid die het waardegehalte vormt, dezen onderscheidsloozen menschelijken arbeid, wat dus, naar de terminologie van Dietzgen als het wezen van den arbeid geldt, dan kan nooit „de geheele arbeidskracht der maatschappij vervat zijn in het geheel der waarde van de waren, welke die maatschappij voortbrengt": immers, het geheel der waarde van de waren is dan slechts de gematerialiseerde of belichaamde hoeveelheid „unskilled labour",1) en er blijft een onverklaarde rest over, waarmee Marx geen raad weet. Deze rest verdwijnt echter, zoodra als arbeid, die het waardegehalte vormt, begrepen wordt de arbeid onder normale omstandigheden: wat er nu eenerznds te veel aan waarde gevormd wordt, wordt opgeheven door wat er anderzijds te weinig gevormd wordt, zoodat de arbeidende klasse dan als zoodanig de klasse is, die het geheel der „gestolde hoeveelheden arbeidstijd" heeft voortgebracht.

Inderdaad kan Marx' betoog ten aanzien van dit principieel gedeelte van zijn waardeleer van ondm^ehjkheid, van „Schwerverstandlichkeit" zooals hij het zelf noemt, beschuldigd worden: door aan het „waardevormend" gehalte van den arbeid eenerzjjds de beteekenis te hechten van unskilled labour, van onderscheidsloozen arbeid als besteding van menschelijke arbeidskracht zonder te letten op den vorm van haar besteding, anderzijds de beteekenis van arbeid van gemiddelde bekwaamheid en intensi-

1) Gemakshalve neem ik deze uitdrukking over, hoewel zij im.i. onjuist is: zie hierboven noot 2 op blz. 111.

123

Sluiten