Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De algemeene waarde en de eigenlijke strekking van het betoog, hetwelk leert dat in de materialistische wijsbegeerte de geest, onwillekeurig gedacht als het vergankelijke persoonlijke bewust-

Over het secundaire, afgeleide karakter met name der verstandelijke levenskrachten vergelijke men, wat Marx schrijft in het hoofdstuk over de „Fabriekswetgeving".

Hooge bezoldiging van intellectueelen arbeid, zooals zij door Kuyper wordt bepleit dn een artikel „Hoofdarbeiders en handarbeiders, Vereenigt u", is dan ook in wezen anti-marxistisch, en volkomen in strijd met de relatief geringe waardeering, waarop geestelijke prestaties aanspraak kunnen maken.

De Aansterdamsche privaat-docent wil de hoofdarbeiders winnen door hun „een positie te verschaffen, die hun financieele (?) en ideologische eischen minstens evengoed bevredigt als in dienst van het kapitalisme"; dit is een principieel onmogelijke eisch: de waardeering van elke ideologie is in het marxisme geringer dan in het kapitalisme, en dus moet die geringere waardeering tot uiting komen in een lagere bezoldiging. (Populair-wetenschappelijk bijvoegsel van „Het Volk" van 5 Februari 1921).

Vgl. Dietzgen: „Der leidende, der vierte, der Arbeiterstand ist insowedt erst der wahre Trager dieses Organs, nl. des Denkvermogens, als die herrschend e n Stande durch ihre besonderen Klasseninteressen verhindert sind, das Allgemeine anzuerkennen".

„Der Mensch des vierten Standes ist endlich „reiner" Mensch." (Voorrede bij Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit).

In denzelfden zin Engels in Ludwdg Feuerbach enz. „Und nur bei der

Anbedterklasse besteht der deutsche theoretische Sinm unverkümmert fort

Die deutsche Arbeiterbewegung ist die Erbin der deutsohen klassisehen Philosophie."

De partijgenoot, die Kuyper tegenwerpt, dat „bouwvakarbeiders heel wat bouwen kunnen zonder architect, maar niet omgekeerd", kan zich beroepen op Dietzgen, die „als Grondstem der Sozialwissenschaft" omschrijft, „dasz das Menschenheil von der materiellen Arbeit und von keiner spirdtistischen Phantasterei abhangt." (Sozialdemokratische Philosophie, Samtliohe Schriften, I, blz. 163).

Tegenover het voorbeeld van den muziekdirecteur, die niet mee arbeidt, had Kuyper Marx zelf kunnen stellen, die schrijft, dat „een enkel violist zichzelf bestuurt; een orkest kan echter niet buiten een dirigent".

Trouwens, of Marx te vinden zou geweest zijn voor ruime bezoldiging der intellectueele arbeiders, mag zeer betwijfeld worden; in de afdeeling „De Fabriek" schrijft hij, dat „de a f s ch e i d i n g d e r geestelijke machte n in het productieproces van het handwerk en hunne omzetting in heerschappij van het kapitaal over den arbeid in de machinale grootindustrie tot volledigheid komt."

Terecht schrijft Treub in dit verband, dat „de machine is gematerialiseerde geestesarbeid ter besparing van lichamelijken arbeid". (I, blz. 308).

145

Sluiten