Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wing heeft uitgelaten, en nergens met eyenzoovele woorden heeft uiteengezet, hoe bh' zich de verhoudmg tusschen geest en materie dacht,1 maar deze verhouding alleen heeft omschreven in eenige zeer algemeene formuleeringen, dan wordt het verklaarbaar, dat sommigen over zbn betoog met name in bet voorwoord tot „Zur Kritik" hebben heen gelezen, en den gedachtengang van den genialen schrijver in al zijn consequenties en in zijn eigenlijke diepe strekking niet volkomen hebben kunnen vatten.*) Zoo is het mogelijk dat men heeft kunnen schrijven:

„Es ist doch klar: der Mensch kann leben, ohne Zeitung zu lesen, ohne ia die Kirche oder das Theater zu gehen, ohne sich mit Seife zu waschen, ohne christiiche Liebe und Humanitat, ohne Religion und ohne Moral, aber er kann nicht leben ohne Nahrung, Kleidung, Wohnung. Im Verhaltnis zu diesen sind alle idealen Dinge Luxusar tik el." 2)

Uit de bovenaangehaalde citaten blijkt duidelijk, dat Marx aan al deze ideëele goederen allerminst de beteekenis van overbodige luxe hecht: integendeel, het is hem veeleer een grief, dat voor den wolfshonger naar meerwaarde alle geestelijke levenskrachten van den mensch eenvoudig worden tot beuzeling en dwaasheid. Hü erkent wel degelijk hun invloed, beteekenis en waarde, maar, voeg ik er in één adem aan toe, binnen de economische structuur der maatschappij, waarbuiten noch waarboven zij zich ooit vermogen uit te breiden of te verheffen, en waarmede zij tevens te gronde gaan en verdwijnen.

Engels komt in zijn „wijsgeerig-economisch testament", als ik zijn geschrift over Feuerbach zoo mag noemen, op dit punt terug, en geeft, hoewel niet overal even scherp, toch de richting aan, waarin wij het marxistische hoofddenkbeeld hebben te begrijpen. De eenzijdig opgevatte en te eng geïnterpreteerde Marx, Wiens bedoelingen men overigens volkomen meende begrepen te hebben, werd de vader van een systeem, waarin aan het geestelijk leven, — maar volkomen tegen diens bedoelingen in —, alle invloed, zelfs de meest verwijderde, absoluut werd ontzegd: tegen dit zuiver mechanisch marxisme komt Engels in verzet, en reeds hier is de

') Vooral Ide marxistische opvatting van den „saimengestelden eenvoudigen" arbeid, zooals deze hierboven besproken is op blz. 105 v.v., en die ■ zuiver psychologisch mechanisch doordacht is, zal aan deze verwarrende voorstelling niet heelemaal vreemd zijn geweest.

2) Aldus J. Stern in „Historischer Materialismus", aangehaald door Wbltmann, t.a.p., blz. 237, noot 1.

148

Sluiten