Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zóó consequent past Hegel dezen absoluten gedachtengang toe, dat hij gelooft, dat zijn dialectische methode exact natuurwetenschappelijke en historische studiën overbodig maakt, en dat het dus mogelijk is de wetten van het zijn en gebeuren speculatief te ontwikkelen. Voor Hegel is het begrip het wezenlijke: is de feitelijke natuur daaraan inadaequaat, „tant pis pour les faits", dat is een tekort aan de zijde van de natuur. Het is — om in Hegeliaanschen betoogtrant te vervallen — alsof het systeem van Feuerbach hier in zijn tegendeel is omgeslagen: „voor Feuerbach is de feitelijke natuur het wezenlijke. Staande voor hetzelfde conflict, concludeert hij tot de verwerpelijkheid van elke philosophie, die niet in staat is, om het individueele en feitelijke, dat is het wezenlijke, te doen verstaan."1)

In dit verband wil Hegel aan kunst, godsdienst en wijsbegeerte — en Marx in aansluiting hiermede aan staathuishoudkunde, en vandaar op het geheele gebied van het menschehjk weten en kennen, — de beteekenis zien toegekend van de exacte wetenschappen, hij wil er de vastheid en zekerheid van algemeen geldige wetenschap aan geven: zooals hij met name religie wil, maar niet als geloof in, doch als wetenschappelijke kennis van God, en, in plaats van uit het geloof, gerechtvaardigd worden uit het begrip, zoo wil hij het vertrouwen in normen en waarden voortleiden tot weten, en het geestelijk leven verheffen tot philosophie. „Es ware in der Tat übel beschaffen mit unserm Erkennen, wenn van solchen Gegenstanden, wie Freiheit, Recht, Sittlichkeit, ja Gott selbst, darum, weil dieselben nicht gemessen und berechnet oder in einer mathematischen Formel ausgedrückt werden können, wir uns, mit Verzichtleistung auf eine „exacte" Erkenntnis, im allgemeinen blosz mit einer unbestimmten Vorstellung zu begnügen hatten

staathuishoudkunde, maar zij doortrekt zijn geheele levensleer volstrekt en onvoorwaardelijk: de van „burgerlijk" economische zijde gelanceerde stelling, dat de waardeleer de hoeksteen is der economie, is Slechts betrekkelijk waar.

De moeilijkheid van Marx' gelijk van Hegel's wijsbegeerte is dan ook om het systeem te begrijpen: men doorziet het öf geheel en al, öf in het geheel niet,

al naarmate men het ja dan neen doorgrondt in zijn aanvang en dus

tevens in zijn einde. Evenmin als een cirkel heeft een absolute philosophie een begin of een slot, of een punt, dat houvast geeft: „Eine kyklisehe Lehre, eine Kreislehre oder Encyclopaedie, kann eine principielle Vorschule eigentlich nicht haben."

*) Vgl. Jerusalem, Eimleitung in die Philosophie, § 31.

208

Sluiten