Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorgangspunt van sociale atoomconstêllaties en natuurkrachten, en waarbinnen de werkelijkheid in den mensch tot bewustzijn van zichzelf komt als waarde-idee, kan het haar niet de minste bevrediging schenken.

Het principieele belang van het uitzetten van de hoofdpunten van Marx' systeem en het toetsen daarvan aan het inzicht, dat de wijsgeerige wetenschappen, binnen wier kader alleen „Het Kapitaal" voor bespreking vatbaar is, ons gegeven hebben van de eigenlijke, mtrinsieke beteekenis van de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing met haar opvatting van het wezen der werkelijkheid, dit belang openbaart zich practisch in de waardeering o.a. van het leerstuk van den klassenstrijd: wanneer in de fundamenteele constructie van zijn waarde-idee, hoe deze constructie dan ook gegeven moge zijn, inductief en deductief, analytisch en synthetisch in éénen, Marx het zich ontwikkelende absoluut ware zelf ziet, en hij nu, van dit gegeven als grondstelling uitgaande, in een zuiver deductief betoog, zijn verdere beschouwingen ontwikkelt, hangt de waarde van de gevolgtrekking, behalve van het logisch redeneeren, geheel af van de waarde van het uitgangspunt. De geldigheid nu van de materialistisch-hegebaansch doordachte grondstelling meen ik onvoorwaardelijk te mogen verwerpen: de volle werkelijkheid is daarin juist niet gegrepen, en het „zijn van arbeidsproduct", waarin, op de punt van de naald bezien, de geheele arbeid van de arbeidende klasse als in eenvoudige quantiteitsverhoudingen is neergeslagen, is, wel verre van die werkelijkheid te zün, er juist door een onoverkomelijke kloof van gescheiden. Hegel, en op zün voorbeeld Marx, zien bi het intellect het vermogen van den mensch, de alomvattende reabteit te doorgronden, en geheel hun levensleer is een uitvloeisel van dit gegeven: zü hebben genoeg aan „waarheden" en de menschheid is voor hen een denkproces, ideëel dan wel materieel opgevat.

Zoo culmineert voor Marx d e waarheid, d e werkelijkheid in de waarde-idee als de zelfbewustwording van d e sociale realiteit, gedacht als het geheel der productie- en ruilverhoudingen: de arbeider levert het waardevormende gehalte van den arbeid, maar als gevolg der maatschappelijke verhoudingen komt deze waarde, in haar openbaringsvorm van ruilwaarde, ten goede aan den warenhoeder, den kapitalist, niet aan den arbeider. Vandaar de eeuwigdurende strijd, het natuurlijk antagonisme tusschen den schepper der waarde en hem, die de meerwaarde geniet: arbeid

319

Sluiten