Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de door Marx zelf uitgesproken positieve verklaring, dat in het waardevraagstuk de cardo quastionis ligt, en daarom richt hij in de eerste plaats zijn kritiek op Marx' kapitaal-, d.i. arbeidswaardeopvatting. Bij de algemeene beschouwingen over de staatsbegrooting voor het dienstjaar 1914 heeft de voorman der S.D.A.P. o.m. gezegd:

„De groei der sociaaldemocratie is een versterking van den kreet om pobtieke ontvoogding der arbeidersklasse: het is een versterking van den aandrang naar sociale hervormingen, op een wijze, die de arbeidersklasse niet verder bindt en knevelt, maar haar weerbaar maakt voor eigen krachtsontwikkebng, en waarvan de kosten dus niet door de arbeiders allereerst moeten worden gedragen, maar gedragen moeten worden door het kapitaal, dat door den arbeid van de arbeidersklasse grootendeels tot stand is gekomen."1)

Het door mij gespatieerde beginsel gaat vierkant in tegen de opvatting, die Marx heeft over de vorming van nieuw maatschappelijk kapitaal, hetwelk als doode arbeid geheel en al, uitsluitend ontstaat door den arbeid der arbeidende klasse: Troelstra's kritiek op Marx' kapitaalopvatting is dan ook in wezen een kritiek op zijn arbeidswaardetheorie, volgens welke, het blijkt overtuigend uit wat in~het vierde hoofdstuk is geschreven, kapitaal niets anders is dan „in den vorm van machines belichaamde arbeid", „vroegere arbeid, die aangegrepen en bezield wordt door den levenden arbeid." 2)

In elk geval, wanneer kapitaal grootendeels tot stand is gekomen door den arbeid der arbeidersklasse, moet een ander, zij het het kleinste deel, ontstaan zijn door toedoen van de klasse der kapitalisten: maar dan valt onherroepelijk weg de in natuurwetenschappelijken zin doordachte tegenstelling tusschen den mensch-arbeider, beschouwd als verpersoonlijking van arbeidskracht, en den mensch-kapitalist, wiens ziel is de kapitaalziel. 3)

') Handelingen, II, blz. 509.

8) Het Kapitaal, I, Uitbuiting van den arbeid.

3) „Zeer zeker kan de kapitalist zelf, te zamen met zijn arbeider, bij het eigenlijke productieproces meewerken, maar dan is hij ook slechts een middending tusschen kapitalist en arbeider, een „kleine meester." Een bepaalde ontwikkelingshoogte der kapitalistische productie eischt, dat de kapitalist den geheelen tijd, dat hij als kapitalist, d.i. als verpersoonlijkt kapitaal werkzaam is, gebruiken kan voor de toe-eigening van en dus voor toezicht over vreem-

321

Sluiten