Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE HOOFDSTUK.

De Marxistische „Trias economica". Verschijningsvorm en inhoud.

Het economisch fundamenteele vraagstuk, wat wij te verstaan hebben onder waarde, geld en kapitaal. 247. — Onderscheid tusschen den min of meer toevalligen verschijningsvorm, welken men ontmoet als de gangbare voorstelling van het dagelijksch leven, en den werkelijken inhoud, waarvan die verschijningsvorm een openbaring is, en welke door de wetenschap moet worden, gevonden. 248. — Waarde, geld en kapitaal zijn dergelijke min of meer toevallige openbaringsvormen van daarin verborgen maatschappelijke verhoudingen. 249.

Waarde.

Analyse van de vraag, wat de beteekenis is van een goed in het maatschappelijk ruilproces. 251. — Marx leunt hier rechtstreeks aan aan de wijsbegeerte van Hegel. 252. — Het „zijn van arbeidsproduct". 253. — Dit beteekent dat arbeidskracht is vastgelegd in het arbeidsproduct via het arbeidsmiddel. 254. — Kritiek op Marx' waardetheorie door von Böhm-Bawerk. 256.

— Hij treft die waardeleer echter niet; hij redeneert langs Marx heen. 257.

— Onjuist uitgangspunt van von Böhm-Bawerk: hij ziet niet in dat Marx*' theorie een zuiver wijsgeerige is. 258. — Het „zijn van arbeidsproduct" is de wijsgeerige fundeering der warenwereld, en de waardevorm van de waar isde alles omvattende maatschappelijke realiteit. 260. — De gehèele maatschappij een reusachtig stofwisselingsproces. 261. — Het Marxisme de meest consequente absorbeering der persoonlijkheid door de gemeenschap. 262. — Het onderscheid tusschen de maatschappelijke verschijnselen beweegt zich in de sfeer van het quantitatieve. 263. — De waardetheorie wordt als axioma vooropgezet, en van hieruit deduceert Marx zijn geheele systeem. 264. — Kuyper's denkbeelden over de waarde. 265. — Hij kritiseert Marx' constructie van den celvorm der burgerlijke maatschappij als onhoudbaar. 266. — Kuyper gevoelt deze materie onzuiver, d.w.z. onwijsgeerig aan. 267. — Het niet omspannen door Marx"" waardetheorie van de volle maatschappelijke realiteit is een gevolg van haar Hegeliaansche relatie. 268. — Kritiek op Marx' waardeleer kan alleen gegeven worden door de algemeene wijsbegeerte. 269.

Het Geld.

Functies van het geld": te dienen als eenheid van den algemeenen verschijningsvorm van menschelijken arbeid. 270. — Geldwaar is de constructie van.

Sluiten