Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORREDE.

Sedert eeuwen heeft men getracht zich rekenschap te geven van de voorwaarden die een deugdelijk Nederlandsch vers bepalen. Wat hieromtrent door dichters en taalgeleerden tot in onzen tijd geschreven werd is gedeeltelijk zoo uiteenloopend en vertoont voor een ander deel zulke klaarbüjkehjke onjuistheden, dat in dezen van eenig bereikt resultaat nauwelijks sprake kan zijn.

Voor hem die thans wil trachten zich uit eigen waarneming van de tegenwoordige en vroegere dichtkunst een juist beeld van den Nederlandschen versbouw te vormen, zijn deze oudere theorieën onmisbaar. Zij toch kunnen aanwijzing geven omtrent de bedoelingen en idealen, die de dichters van verschillende tijden voor oogen hadden; zij moeten kritisch en in vergelijking met de praktijk onderzocht worden. Een samenvattende studie van de ontwikkeling der Nederlandsche versbouwtheorieën ontbreekt nog. Prudens van Duyse's Verhandeling (1854) is zelf reeds historisch geworden; de zeer verhelderende Opmerkingen van Prof. C. G. N. de Vooys in Taal en Letteren (1905, 1906) zijn veelal slechts fragmenten. Het eerste gedeelte van dit boek tracht in een naar volledigheid strevend overzicht deze leemte in de gescWedschrijving onzer letterkunde aan te vullen.

De uiteenzetting van eigen inzicht en gevoelen betreffende het versrythme, die in het tweede gedeelte van dit werk beproefd wordt, eischte een ander punt van uitgang en een ruimer gezichtsveld, dan tot nog toe bij de beschouwing van den versbouw gebruikelijk was. Dankbaar erken ik mijn verplichting aan de he^ame studiën van Prof. R. C. Boer over de Oudgermaansche rytKntek; zonder dezen moreelen steun zou mij wellicht de moed ontbroken hebben tot een breeder onderzoek naar de beginselen van het menschelijk rythmisch gevoel. Van algemeene beteekenis zijn zeker de inleidende bladzijden van Boer's verhandeling

Sluiten