Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

overneming van zekere, door de bijzondere Grieksche ontwikkeling ontstane axioma's zag men daarbij natuurlijk over het hoofd. De invloed echter der op gewaande gelijkheid berustende theorie was zelfs zoo machtig, dat de praktijk haar met heilig ontzag trachtte te volgen en door een sterke uitwendige aanpassing haar schijnbaar bevestigde. Zoo ontstond het historisch ideaal van de iambemaat en de praktijk van den Nederlandschen alexandrijn, die dit naar men meende op klassiek-volkomen wijze verwerkelijkte. > Als in de 18e eeuw de geestelijke wetenschappen verEcht worden door de opnieuw ontwaakte westersch-oorspronkehjke kritiek, beginnen enkelen zelfstandig te onderzoeken, het bestaandde opnieuw te ontleden, onbeschroomd zijn afwijkende eigenaardigheden aan te wijzen, en op aesthetisch gebied, in de eerste plaats scherper en zuiverder eischen te stellen voor de navolging der klassieken. Tegelijk echter gaf het aangetoonde verschil een grondslag voor de eigen theorie van het inheemsch-gewordene, zonder dat men daarvoor nochtans voldoende belangstelling had om op dien grond werkeüjk eigen maatstaven te vinden, j De 19e-eeuwsche nieuwe philologie bracht wederom een verjonging van het inzicht, die zich echter van de resultaten der vorige eeuw weinig ten nutte kon maken, daar zij, door geheel andere idealen geleid, de klassieke oudheid en haar invloed ter zijde liet en het autochthone verleden tot voorwerp van studie maakte. Gaarne zag zij het geheel afwijkende en oorspronkelijke in het heidensch en middeleeuwsch Germanendom; maar — zij was bij de humanistische klassieke wetenschap school gegaan, daaraan ontleende zij haar maatstaven, en nogmaals beheerschte de Oudgrieksche leer werk- en denkwijze van het onderzoek. Eerst haar latere ontwikkeling, gewapend met een meer natuurwetenschappelijke kritiek en hand in hand met psychologie en physiologie, maakte het mogelijk een vrij gezicht op de verschijnselen te verkrijgen, dat zich nu omgekeerd ook bij de beschouwing der klassieke oudheid kon doen gelden.

De stroom van geschriften, verhandelingen, hoofdstukken uit spraak- en dichtkunsten, opmerkingen in inleidingen en polemieken, die alle te zamen de literatuur over den Nederlandschen versbouw vormen, begint eerst eigenlijk te vloeien in de 16e eeuw. Over den daaraan voorafgaanden tijd zullen niet dan enkele

Sluiten