Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

25

en grooter dan een Lucas de Heere of Houwaert*); Van Mander vertegenwoordigt de overbrenging en berging van het jonge en groeizame uit Vlaanderen in den nog slechts half bestelden akker van Holland; Van Hout, de medewerker aan de stichting der Leidsche academie, is de heraut van den onmiddelhjken klassieken invloed; en Hooft is de begaafde jonge Amsterdammer die als eerste het van ver en nabij gehaalde en aangedragen nieuwe leven en denken tot eenheid en tot eigen vorm bracht. Ten slotte blijft er zoo van Hooft's mythische zending misschien toch nog het meest over, al zijn ook de Rijmbrief en de Granida voor ons niet meer zulke uit den hemel gevallen wonderen als voor onze eerste 18e-eeuwsche geschiedschrijvers 2).

2 Men vergelijke, wat inzonderheid zijn verspraktijk betreft, hetgeen zijn commentator en tijdgenoot Hendrick Ackermans daarover meedeelt (zie Vermeylen, Jonker Jan v. d. Noot, 1899 blz. 127); het is zuiver en alleen de Fransche theorie.

a) Hierbij is in het oog te houden, dat men die beide werken kende en bedoelde in hun lateren „verbeterden" vorm: de Rijmbrief zcoals die voorkomt in de Verscheyde Nederduytsche Gedichten He deel (1653), de Granida in de redactie der Gedichten enz. (1636). Sedert de uitgave van Leendertz (1875) zijn wij vertrouwd geraakt met de oude lezingen, bewaard in Hooft's eigen handschrift. Over de varianten van Granida vgl.Tijdschr. v. Ned. Taal- en Letterk. 36 (1917) 97-151; over den Rijmbrief vgl. K. H. de Raaf, Taal- en Letteren XI (1901) 355- 370, op wiens betoog ik het volgende zou willen aanmerken. Zijn conclusie luidt: de volgende feiten pleiten „tégen de veronderstelling dat Hooft de bewerker dertweede redactie zou zijn" [hoewel De Raaf zelf eigenlijk twee omwerkingen meent te moeten aannemen blz. 3691] :„ 1 °. Het is niet duidelijk welke reden Hooft kan gehad hebben-, om het gedicht om te 'werken." [Die reden kan zijn geweest, dat hij dacht aan de mogelijkheid van opneming in de Gedichten.] „2°. Er bestaat geen handschrift van de tweede redactie". [Die bestaat van vele andere gedichten, zooals zij in 1636 werden opgenomen, ook niet.] „3°. De tweede redactie is een te sterke verknoeiing dan dat ze het werk van Hooft kan zijn." Dit blijft van waarde, al is de verknoeiing van de Granida b.v. op menige plaats ook tamelijk sterk. De Raafs stelling van Breeroo's sterfjaar 1618 als terminus ante quem voor de omwerking (blz. 369) houdt m. i. geen steek; de „verbeteraar" der verzen hoefde den inhoud volstrekt niet historisch juist te maken voor zijn eigen tijd. Integendeel schijnt de aard der veranderingen mij eerder op de jaren na 1620 te wijzen; de daarbij toegepaste normen doen sterk denken aan die, waarnaar de Granida behandeld werd (t. a. p. 112 vlgg.). Het lijkt mij geenszins onmogelijk, dat de bron van alle verwarring is geweest een concept tot „verbetering" van Hooft zelf, dat Brandt onder oogen gehad of m afschrift gekend kan hebben. Daarin kunnen woorden en heele verzen als variant tot later keuze zijn bijgeschreven geweest, waardoor het voorkomen van twee lezingen derzelfde verzen in de „Lijkreeden" verklaarbaar zou zijn. Dat de „verbeteringen" zoo weinig gelukkig zijn, pleit hier niet tegen; het gedicht werd in 1636 immers ook met opgenomen. Toen Brandt het in 1653 uitgaf, moest hij wel een keuze doen en volgde daarbij natuurlijk de latere normen. De onduidelijkheid van Hooft's handschrift is berucht; fouten als De Raaf (blz. 361 vlg.) aanhaalt, zijn daardoor te verklaren; hiervoor hoeft men niet eens aan te nemen, dat een mindere dan Brandt het afschrift moet vervaardigd hebben, wat intusschen natuurlijk mogelijk is. In elk geval heeft hij die dan niet als fouten opgemerkt, anders had hij ze enkel in zijn kwaliteit van uitgever ook wel kunnen verbeteren. Trouwens in de Granida van 1636 staan geen geringer dwaasheden (t. a. p. 146 vlgg.). - Ik wil hier aan toevoegen, dat reeds bij de bewerking der Granida-varianten de gedachte wel bij mij is opgekomen, of Hooft werkelijk zelf aansprakelijk moest worden gesteld voor al deze ontzettingen, dan of hij de

Sluiten