Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

nieuwe beschouwing over de maat is opgenomen, wederom in sonnetvorm (zie Serrure t. a. p. 305 vlg.):

Totten Nederlantschen poëten, op de francoische mate.

Die aen den wech timmert, moet veel berispens hooren, want quahjck can een mensen behaghen alle man: wat den eenen wel clinckt, luydt d' ander vremt in d' ooren, hoe wel oock datmen iet stellen oft maken can.

Als ghy mijn dichten siet, het selve wacht ick dan, om dat ick niet en heb ghevolght de Fransche mate, t'sal al zijn: wat is dit? dees houdt noch d'oude strate, cesure en ghepaert-dicht zijn hier heel inden ban!

T' is waer, ick kent, mijn penne en houdter niet veel van, tot dat my iemandt sal reden segghen oft schrijven: waeromme ick meer opt Fransch dan opt Latijn moet blijven.

Elcke tael heeft zijn wet, elck landt heeft sijn ghespan, •J t' is Brabants dat ick spreeck, Brabants wil ick dan dichten, en laten Mommers gaen met haer vremde ghesichten.

Dit lijkt een verweer; het Fransche mombakkes had intusschen te Antwerpen blijkbaar opgang gemaakt; de vrienden van Van der Noot konden het ter harte nemen. Heyns gebruikt overigens in dit sonnet zelf de Fransche maat, als om te toorien dat hij het wel kon; zooals men hoort echter nog zonder bepaald „iambische" voet-indeeling x); de vocael-smiltinghe is er stelselmatig in toegepast. Zoo zien wij dezen waarden oud-collega van Anna Bijns van de Francoische tot de Brabantsche maat terugkeeren en hooren hem hiervoor ten slotte zelfs pleiten als voor een nationale zaak. Zijn zoon Zacharias Heyns zou gedurende de volgende tientallen van jaren een krachtig voorvechter van de Franschmoderne en protestantsche renaissance worden en de medestichter van een der belangrijkste kweekplaatsen van dat nieuwe, de kamer Het Wit Lavendel te Amsterdam.

Dirck Volckertsz. Coornhert.

In het laatstaangehaalde gedichtje doet Peter Heyns denken aan dien anderen verdediger van het rederijkersvers, den / Hollander Coornhert, die echter nog veel verder gaat dan hij. Immers „sulcke nueswijsen", die deze in 1561 voor zijn

') In een ander gedichtje vóór zijn „Cort onderwijs van de acht deelen der Fransoischer talen" enz. schrijft hij tamelijk gelijkvloeiende alexandrijnen; de oudste druk van dit werkje schijnt van 1571 te zijn; vgl. Bibl. Belg. en Burger a. w. blz. 187, die het gedichtje blz. 192 afdrukt.

Sluiten