Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

35

Odyssee terechtwijst, die het beter willen weten dan Virgilius, staan nog niet meer voor, dan juist de Brabantsche beperking van 10—12 lettergrepen. Men hoore hem"*y:~

.. .Doch moet ick hier wat wederlegghen. Daer yemants aenghenomen zeden, Meer dan de verstandighe reden, Als van faut' aldus sullen segghen.

Hij beroept zich dus op het redelijk verstand, tegenover de (dan toch vrij nieuwe) aangenomen gewoonte, die blijkbaar de Brabantsche maat (10—12) begunstigt:

Wat zijn hier reghels van vijfthienen?

Sulcx en doen gheen rethorisienen

So lanck te maken: way dats gheen const.

Men ghebruyckt tien twaelf ende elf./

Dees heeft een ruyme wech op hem self.

Tschijnt geen rijm tis schant dat hijt begonst. Sulcke nueswijsen moet ick vraghen,

Door wat recht sy de vrijen plaghen,

Met heur wetten dwaeslyck vercoren?

Virgilius de groote Poëet,

Stelt reghels van seventhienen breet,

Ey laet hem, om huerluy te horen. Een volle sin eyscht een heel reghel

Daer af sy de rijm tslot en seghel2)

Als elcx een athem wt mach spreken. -

Waerom sal ons de tien benauwen

Daer sestien gheen gheest en verflauwen

Noch lancheyt wint en doet ontbreken? Dit seyt oock Lovis Vives gheeert,

Int derde boeck daer hy segghen leert,

Tis al vaers van vijf tot twintich toe. 8)

Maer tons is simüiter cadens,

Tis noch gheen vaers, maer rijm, wy ladens

Met dubbelt ghedicht, ücht wertmens moe. Is dees ruymt' dan byden Latijnen

Waerom sal ons benautheyd pijnen?

Soeckt men const? men volch huer maet en voet. (namelijk die van de Latijnen, zooals hij zelf in zijn vrijheid meent te doen)

') Totten goetwülighen Leser voor D'eerste XII Boecken Odysseae... Haerlem, Jan van Zuren, 1561.

') Dit vers is in den druk Amsterdam 1607 missteld en steeds weer in dien onverstaanbaren vorm aangehaald. ") Vgl. blz. 21.

Sluiten