Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

stant sant landt tant handen verstanden... etc." Maar hij zelf blijkt deze opmerkingen toch reeds te gronden op de vraag, hoe in het Nederlandsen „accentus audiatur."

Jacób Duynt. — Eén man uit dezen tijd dient hier nog vermeld te worden, om de tamelijk uitvoerige beschouwingen die hij aan zijn eigen verstechniek wijdt, de Brabantsch-Hollandsche keizer van de rederijkkamer D'Oraigne Lelie te Leiden, Jacob' Duym. Vóór de beide verzamelingen zijner spelen, het Spiegelboeck (1600) en het Ghedenckboeck (1606) geeft hij rekenschap van zijn standpunt. In 1600 betreurt hij, dat vele onder de oudere rederijkers „hebben cleyne acht genomen op de mate ofte veelheyt der Syllaben, makende hare regulen dan van thien, dan twaelf, ende dan vijfthien syllaben lanck.... daer ons nochtans de Franssche Dicht-stelders eenen bequameren ende constigheren wech zijn wijsende, maken ende stellen alleen haer veirssen (soo sy die noemen *) altijt op een maet, het zy van twaelff ofte van derthien Syllaben.. .„ maeckende altijt op de seste Syllabe een cesure, dat is een af snijdinghe, oft op de vierde ofte vijfde, naer den eysch vant werek, het welck ick... hebbe ghesocht naer te volghen"...2). In een volgend „Totten Leser" bericht hij hierover nog nader, dat hij allerlei „verscheyden dichten, als daer zijn Refereyn-dicht, regel-dicht, overander dicht" 3) en andere in zijn spelen heeft toegepast, „doch alle de regels van elcke Scena oft uytcoemst op eene maet, het zy van twaelf, derthien oft meer oft min syllaben: sommige veersen tellen wy alleen de syllaben oft sy dichten ofte niet, ende sommige tellen wy alleen die dichten op de Fransche manier". Dat zal moeten beteekenen : in sommige scènes hebben de verzen 12, 13 silben en "zijn alle geteld, of zij met elkaar rijmen of niet, in andere zijn zij ook wel korter of langer en is alleen, volgens den ouden regel, zorg gedragen voor gelijke lengte van onderling rijmende regels; de „Fransche manier" heeft met dit laatste eigenlijk weinig uitstaande, tenzij men tellen op zich zelf reeds als zoodanig betitelt. Duym heeft willen toonen „dat wy 't in onze tale oock so wel connen als de Fransche, doch

>) Dus ook voor Duym is „veirs" nog een uitheemsche term. *) Opdracht voor het Spiegelboeck; vgl. ook K. Poll, Over de Tooneelspelen. v. d. Leidschen rederijker Jacob Duym. Diss. Groningen 1898. blz. 147 v.

■) Dat is: kunstige rijmschema's van refereynen, paarrijm en gekruist rijm.

Sluiten