Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

zooals Van Mander den Italiaanschen term verst sdruccioli vertaalt. Naast den alexandrijn komen vijfvoetige iamben en nog kortere en anders samengestelde verzen voor; deze vonden in het algemeen echter een meer beperkt gebruik in kleinere, meer lyrische gedichten, vooral ook in liederen. Ook aan deze vormen werd in de theorie een plaats aangewezen. De voornaamste belangstelling was echter gewijd aan het nieuwe geregelde vers voor algemeen, episch, dramatisch en didactisch gebruik. Wat men ook in het vervolg over onderdeden nog geschreven en getwist mag hebben, de omvang en de hoofdverdeéling van dit vers zijn gebleven en algemeen aanvaard.

Indien wij thans op dit geheele tijdvak van wording terugzien, is het van bijzondere beteekenis daarin den aard en de draagkracht van den Franschen invloed na te gaan. Men begon meer acht te slaan op de beteekenis der afzonderlijke lettergreep in den zin en in het versverloop; een teeken en tegelijk een groote vooruitgang daarvan is het algemeen worden der „Mechelsche vocaalsmiltinghe" of „e-synalepha". Zoo was men inderdaad op weg het oor te gewennen aan die soort van cadens, die het Fransche vers toen had en nog bezit: namelijk een in vrije golven voortbewegende gang naar een bepaald vast eindpunt, loopende steeds over een gelijk aantal lettergrepen, ieder van gelijk belang, wier verschil althans geen gewicht in de schaal legt. Op dit laatste vooral moet bij het Fransche vers de volle nadruk gelegd worden; zinsklemtonen, emphatische accenten en rusten mogen die gelijkheid bij pathetische voordracht schijnbaar geheel verbreken, de harmonie schuilt juist in deze gelijk-matigheid, waardoor de uitsluitende bepaaldheid van het vers naar zijn syllabenaantal zin heeft. Een vast aantal regelmatige, althans niet opzettelijk gedifferentieerde, slagen of tellen heeft inderdaad een eigen element van rythme, dat bij terugkeer van hetzelfde aantal, harmonische beantwoording vindt; zoolang dit aantal althans niet al te groot is. Daarvoor nu is gezorgd door de vaste caesuren, die in anders te lange reeksen een gelijkmatige onderverdeeling aanbrengen. Dat het oor van een Germaansch-sprekend geleerde in dezen reeksrythmus licht latente alternatie voelt en een Fransch oor hem daarin niet meent te kunnen volgen, doet hieraan niets af. Men moet aannemen en vasthouden, dat de cadens in het Fransche vers niet bepaald wordt door de plaats der woord-accenten.

Sluiten