Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

ten. In het tweede gedeelte, waarop ook zijn tweede opmerking in hoofdzaak betrekking heeft, geeft hij „Eenige Psalmen Davids" in rijmlooze verzen maar „op de gewoonlike voisen gestelt". Ook hier komen de juiste spreekaccenten nog al eens in de knel, doordat „metrische" overwegingen den doorslag gaven; maar in het algemeen voelt men toch den zachten dwang der melodie. Soms kan men hier inderdaad natuurlijke en krachtige taal hooren, die ontslagen van den rijmboei, in rythmische volheid voortgolft. Waar Goddaeus werkelijk de bestaande voisen houdt, is dus de opgave van de versmaat, met de klassieke teekens en termen, niet meer dan een geleerde fraaiigheid, een „bewustmaking" als men wil. Vaak echter heeft hij dit metrum ook anders opgevat dan men gewoon is; zoo wanneer hij b.v. psalm 23 („De God des heils wil mij ten herder wezen", dat is dus iambisch vijfvoetig) stelt in „Phaleucia, doorgaens in alle regelen": „Mijn almachtigen hoeder ende herder" enz. Hierover mag men hem echter niet al te hard vallen, daar de in den regel langzame en weinig gemarkeerde manier van psalmzingen allicht ook eens een eenigszins andere scansie kan toelaten.

Heeft zich bij ons in de zeventiende eeuw een Dichtkunst ontwikkeld, waarin de metrische waarde der lettergrepen, al of niet gesteund door de klemtonen, den versbouw bepaalde? Deze vraag kan men zonder aarzelen met neen beantwoorden. Er is een bescheiden begin gemaakt, dat misschien bij verder ontwikkeling tot iets bevredigends had kunnen leiden, waarop althans in de 18e en 19e eeuw door velen is voortgegaan; maar het is voorloopig bij dat begin gebleven. In 1707 kon A. Verwer verklaren dat deze proeven bij ons evenals bij de Franschen geen succes hadden gehad (vgl. beneden, blz. 65); de pogingen van Plempius en Goddaeus vormen een merkwaardige, maar op zich zelf staande episode.

De eeuw van den alexandrijn en de klassieke theorie.

Wij keeren terug tot de beschouwing der gangbare alterneerende versvormen, die wij bij het begin der eeuw verheten. Opdat tijdstip scheen de theorie zich van de Grieksch-metrische opvatting vrij te maken, door de woordaccenten tot eersten en eigensten maatstaf te kiezen. Die vrijmaking van de klassieke voorstelling was echter bij de meesten slechts zeer gedeeltelijk; men bleef

Sluiten