Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

57

rekenen met twee soorten van lettergrepen: lange en korte (benevens natuurlijk de onvermijdelijke „twijfelingen"), maar erkende daarbij, dat in het Nederlandsen het al of niet lang zijn afhankehjk was, of samenging met het al of niet vatbaar zijn voor een woordklemtoon. Slechts enkele schrijvers verklaren bepaaldelijk dat het op de klemtonen en daarop alleen aankomt; deze komen in het tweede hoofdstuk ter sprake. Men bleef dus in het algemeen bij de klassieke wijze van beschouwing en indeeling der lettergrepen; en het ligt voor de hand dat men over de nauwkeurige bepaling der verschillende lettergreepsoorten niet zoo dadelijk was uitgepraat. Het natuurlijk gevolg van fijner beschouwing en van proeven bij het stellen en opzeggen was, dat men de onvolkomenheid der voeten- en lettergreep-theorie wel altijd weer ontmoette, en tot allerlei, soms zeer juiste, andere opmerkingen kwam; deze werden echter gewoonlijk ook weer in een of ander minder toepasselijk kleed gestoken, om aldus toch schijnbaar harmonisch in de klassicistische theorie een plaats te vinden.

J. v. d. Schuere. — De alexandrijn bepaald door klemtonen en caesuur, was dus de algemeen gebruikte versvorm geworden; naast hem slechts enkele overeenkomstig gebouwde maatsoorten. Reeds in 1612 kon Jacob van der Schuere, een ster uit Van Mander's pleiade, schrijven over de „kloekheyd" onzer taal, die men bespeurt door „binnen in de regelen zoo wel op den stap ofte klank der sillaben, ende rust-plaets, als op de dichten t' eynden aen [= de eindrijmen] acht" te nemen ,,'t welk een geheel onbekend dyng is gewést bij de voor-tydsche Dichters, die op de kloekheyd van onze Nederduydsche Tale zoo weynig gelet hebben, dat zelve de gene die vry al kloek wilden heeten meenden haer dyngen wel te beschikken, wanneer ze de regulen op dry oft vier sillaben na gelijke langde deden hebben. Gelijk mender noch wel vind, die al te verstokt blijven in zulke kleen-achtinge van onzer talen kloekheyd: dan nochtans nu wordze van velen geacht, ende ter eeren geholpen, want 't gene daer duer ik zegge haer kloekheyd in dezen te toonen, is nu vast een gemeene dichts-oeffeninge geworden onder onze-tijds Dichters: waer van sich den eersten zulk gebruyeker roemd te wezen Ir. I. vander Nood. die al over meer dan vijftig jaren Alexandrine ende Kommune Verzen in Nedèrduydsch gemaekt héft: Inde welke hy zijn verhael wel zoo kloek,

Sluiten