Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

eenen vasten regel betrokken worden; maar men moet in 't maaken van Vaerzen nauwkeurig met het oor te raade gaan, en alle hardigheyd vermyden. Ademen, Beeldtenis, Edelheyd, ergernis, Heydendom, Kinderen, regenen, hebben de eerste sillabe lang, de tweede kort, en de derde, hoewel kort in de uytspraak, wordt in vaerzen als lang gebruykt" (blz. 210). Waar dus Verwer pyrrhichiën in het iambisch versschema erkende, constateert Séwel in vaerzen een gebruik, afwijkend van de gewone uitspraak. Dit zijn theoretisch tegengestelde zienswijzen; feitelijk duidt echter ook Séwel hierdoor aan, dat de regelmatigheid der versvoeten niet altijd geheel zuiver is; bij hem wordt uitgesproken, dat de eigenschap van lang of kort zijn eener lettergreep niet altijd zonder meer vaststaat, ook in gevallen waar van geen syllaba anceps, zooals bij vele eenlettergrepige woorden, sprake is. Een korte wordt in verzen „als lang gebruykt", haar kortheid kan dus geen zeer inhaerente eigenschap zijn. Bij deze drielettergrepige woorden hooren ook de „deelwoorden in ende eyndigende"... „dóch fraay is 't als men die kan doen smelten, als Niet denkende aan de magt" enz. x). „Woorden van vier lettergreepen schikken zich in dicht ook niet altyd naar de gemeene uytspraak: want Gehoorzaamen in een vaers komende, laat toe dat men de derde sillabe zo wel kort uytspreekt als in 't woord Verledigen, welks tweede en

vierde lang zyn" Nadat hij op deze wijze de noodige ruimte

aan zijn termen gegeven heeft, verklaart Séwel getroost: „Uyt een korte en een lange lettergreep maakt men eenen Voet, waar van 'er in Heldendicht zes gaan..." met alleen deze afwijking „dat de laatste voet van een vaers met een sleepend rym, uyt drie lettergreepen moet bestaan, waar van de middelste lang is" (blz. 211). Daarop laat hij voorbeelden van verschillende versmaten volgen uit allerlei groote dichters en van hem zelf, waaronder ook trochaeische voorkomen, wier lange aanvangssyllabe hij als een halven voet blijkt op te vatten, zoodat de iambische theorie kan blijven bestaan (zoo telt Huygens' „Muyder Slot, onthoofde romp" enz. 3V2 voet, blz. 227); maar ook dactylische geeft hij: het „gebeurt ook wel, dat men vaerzen maakt welker voeten uyt meer dan twee lettergreepen bestaan; als blykt uyt dit vólgende, door my voor deezen berymd: Men vindt in de waereld nog vreed-

>) De opmerking omtrent de deelwoorden is eerst toegevoegd in den 2en druk 4.1712) blz. 396.

Sluiten