Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

75

sing. Die twee tranten kunnen in de praktijk, elk op zijn tijd, gepast zijn: „men laet dat aen de kenners". Er bestaat echter ook nog een tusschensoort: „Eenen derden trant soud konnen syn, die, van dése twee gemengeld, sachter is als dien van Vondel, en kloeker als dien van Cats: dusdanig syn de treffelyke Schriften van de Broeders De Brand, van Wellekens, van Bruin in syn Soelen en andere."

Rijmlooze verzen en hun tegenstanders; C. van Engelen, P. Huizinga Bakker.

In de jaren 1770—1780 begint het gebruik van rijmlooze klassieke versmaten meer en meer algemeen te worden. Van Alphen en Van de Kasteele behoorden tot de eersten, die dit „nieuwe" pad betraden, Bellamy en de andere leden van zijn kring volgden spoedig. De tegenstanders maakten zich in den aanvang niet erg bezorgd over deze moderne rijmverachters. C. van Engelen stipt het onderwerp slechts even aan in zijn prijs verhandeling Over de oogmerken en regelen der dichtkunst (Werken v. d. Maetsch. d. Nederl. Lett. IV, Leyden 1779). De „rymelooze of blanke" verzen hebben, volgens hem, tegenover die der ouden „behalven ons onvolkomener Metrum, nog een ander nadeel in onze hedendaagsche taaien; Zy breken, voornaamelijk in de Alexandrijnsche verzen *), de rolling geduurig af; zonder dat die schok ergens door verholpen wordt; Het zouden alle staande regels moeten zijn; het is genoeg beweezen te hebben, zo ik meen, dat Maat onder de algemeene bedoehng van alle; Maat en Rijm onder de algemeene bedoelingen van onze, van alle moderne, digtkonst behooren" (blz. 114, 115). Engelen spreekt vaag weg van maat; P. Huizinga Bakker, in zijn Beschouwing van den ouden gebrekkelyken en sedert verbeterden trant onzer Nederduitsche Versen (Werken v. d. Maetsch. d. Ned. Lett. V, Leyden 1781), omschrijft die „maat" (volgens hem de ontdekking van Hooft) nader door deze opsomming: „de Cadans, het hooge en laege der lettergreepen, kunstig bijeen geplaetst: voorts de maet, de rust, de snede, den trant, den dans en de muzijk" der verzen (blz. 114). En verderop zegt hij naar aanleiding van Hooft's „Naare nacht van benauwde drie

*) Maar wie beweerde ook dat men juist alexandrijnen rijmloos zou moeten dichten, al hadden Brandt en Hooft dat wel eens gedaan!

Sluiten