Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

jaaren" en Camphuyzen's lied over Ps. 112 „Zalige ure! vruchtbaer van verblijden" (een navolging der Sapphische strophe): „Ik zal hier niet onderzoeken of Hooft en Camphuyzen ook fauten begaen tegen den toon en het accent der lettergreepen: zy hebben de Latijnsche voetmaat willen volgen, terwijl ze de rijmwoorden behielden. Groote voorstanders van den Griekschen en Latijnschen dichttrant hebben het eerste in onze taele aengepreezen, maer 't laetste, het rijm, afgekeurd en onder deezen, met den meesten ijver, in de voorige eeuwe, de Geldersche Predikant Con-

radus Goddaeus Deeze onderneeming heeft weinige volgers

gevonden De weinige voorbeelden, by Goddaeus opgeteld,

kan men voor enkele spehngen aenzien: het algemeen gebruik beslist den smaek Heeft onze Vondel zig niet bestendig aen het

rijm gehouden? De Duitschers, tegenwoordig, willen, schijnt het, dat pad op; maar welke volken het natreeden zullen, moet de tijd leeren. Ik ben met dit alles geen vijand van ondernemingen, die onze tael en versbouwkunde konnen uitbreiden; doch ik denk dat de Prosodie van ons Nederduitsch nog tot zekerer en vaster regels gebragt moet worden". Voorts is er „nog een gewigtiger hindernis", namelijk „de transpositie of willekeurige plaetzing der woorden", zonder welke vrijheid „de Romeinsche dichters zeiven hunne maet en tranten bezwaerhjk zouden hebben konnen vinden. Hooft heeft dit alles ook zo ingezien... en daerom zig gehouden aen voeten van twee lettergreepen, en dien trant in onze taele vastgesteld; evenwel van verschillende maeten, die eigenlijk uit twee soorten bestaan, als uit den Jambus _ _ , en uit den Tro-

chaeus ; ... de Spondeus en de Pyrrhichius ~ ~

schikt zig in onze taele niet, of nauwhjks De Dactylus

. w laet zig ook gebrekkig plooien in den tegenwoordigen

trant onzer versen, van welken wy spreeken" (blz. 119—121). Alles bij elkaar genomen schijnt hij het er voor te houden, dat de nieuwe, evenals de vroegere pogingen op niets uit zullen loopen*). UV a n A1 p h e n, die reeds in 1778 en '80 de beide deelen zijner Theorie der Schoone Kunsten enz. naar Riedel had uitgegeven, geeft in zijn Digtkundige Verhandelingen, verschenen 1782, doch reeds vroeger opgesteld, voor het eerst een meer bijzondere be-

>) Een derde dergelijke verhandeling door J°. de Bosch, over de Regelen der Dichtkunde (Verhandelingen, uitg. doorTeyler's 2e Gen. II, Haarlem 1783) laat het „werktuiglijke" geheel buiten beschouwing (vgl. blz. 81 van dat werk).

Sluiten