Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

77

schouwing van den heerschenden versbouw en van de „onbestemdheid" der Nederlandscheprosodie, die hij, evenals alles, door betere theoretische inzichten gesterkt zou willen zien. Hij bouwt voort op hetgeen Moonen en vooral Verwer hadden bijgedragen, maar verwijst daarnaast ook naar „het geen onlangs door den Schrijver der Nederduitsche Digtkunde over dit stuk geschreven is" (blz. LXXXVI).

A. Schrdge. — Van Alphen moet hiermee doelen op het merkwaardige anonyme boekje: De Nederduitsche Dichtkunde, Eerste deel. Van de Dichtmaat, dat inderdaad juist het vorig jaar (1781) te Amsterdam bij J. v. Gulik verschenen was 1). De sdirijver van dit werkje, blijkens een latere uitgave A. Schrdge, doet in zijn Vijfde Afdeeling „Van de taaleige vaersmaat" een hoogst oorspronkelijke poging, om langs abstracten weg een voor de Nederlandsche spreekwijze idealen, dat wil zeggen, deze meest nabijkomenden verstrant te ontwerpen (blz. 57 vlgg.). Tot dit doel tracht hij een volledige theorie van de Nederlandsche versvoeging op te bouwen en betreedt zoo als eerste het pad, waarop Hesselink en Kinker binnenkort zouden volgen2). Hij is geen volstrekt voorstander van de nieuwe Grieksch-metrische dichtkunst, hoewel die hem zeker tot zijn vondsten gebracht heeft; aan het rijm „als een weezendhjk deel der Dichtmaat aangemerkt" bhjft hij hechten (blz. 111); zijn standpunt tusschen oud en nieuw is geheel eigen. Drie elementen maken de harmonie van elk vers (afgezien dus van het rijmverband tusschen meerdere verzen): „Het gehoor wordt gestreeld door afwisselende evenredigheden in Klankmaaten, Toonvallen en Spraakvloeijingen: en deze noemt men de Dichtmaat" (blz. 1). Door die drie factoren meent hij het verloop van een vers in alle opzichten te bepalen, en wel blijkbaar in nauwe aansluiting bij de muzikale compositieleer. Immers in de klankmaat („de spraaktijd der lettergreepenvan een woord, in vergelijking tot malkanderen", blz. 2)

>) Het boekje verscheen nogmaals in 1786 bij J. B. Elwe te Amsteldam, met alleen een ingeplakt nieuw titel-, eerste en laatste blad (waarbij de verwijzing naar „de volgende deelen", die blijkbaar in de pen gebleven zijn, tevens wegviel) onder den omslachtiger «tel: Grondig Onderwijs in de Nederduitsche Dichtkunde, bevattende eene beredeneerde opgaave van alle de regelen dier kunst... enz. door A. Schrdge.

a) Voor Huydecoper noch Ten Kate kan men de eer opeischen dit reeds vóór hem gedaan te hebben, al geeft ook de laatste in het 2e hoofdd. van zijn Oeffen-schets wel een uitgebreid overzicht van verzen van allerlei mogelijke lengte (vgl. beneden het 2e hoofdstuk).

Sluiten