Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

vindt hij de tijd- en maatverdeeling, in de toonvallen („de stemverheffing eener lettergreep boven een andere", blz. 12) den melodischen intervallengang der melodie terug, en in de spraakvloeijingen (de eenigszins phantastische intervallen die hij hoort tusschen de verschillende klinkers en medeklinkers, blz. 78 vlgg.) iets soortgelijks als de muzikale harmonie, in zooverre een woord of lettergreep min of meer met een accoord overeenkomt en dus in zich zelf harmonisch of dissoneerend kan zijn x). Zoo staat hij scherp tegenover hen, die meenen „dat men onze vaerzen alleen naar den toonval moet richten, zonder acht op onzen Klankmaat te geeven"; deze zijn „misleid door hunne aangemaatigde zangwijze in het opsnijden der vaerzen; waardoor zij de korte lettergreepen, in die gemaakte uitspraak, zo lang in tijd als de middelbaare en lange uitrekken" (blz. 76). Dit schijnt op een galmende of zalvende declameerwijze te zien, die minder het rythme dan wel een zekeren „toonval" deed hooren, vermoedelijk dus een smakelooze, althans naar Schrége's smaak verwerpelijke, toepassing van de door Huydecoper in theorie gebrachte melodische versfiguren. Deze plaats is vóoral merkwaardig, omdat zij in haar kritiek op de algemeene mode blijkbaar op iets anders doelt, dan den door Bilderdijk en Kinker gewraakten „kleptoon", dien wij ons toch eerder juist als een eentonigen maatdreun met vooral scherpe caesuren moeten voorstellen.

Van een beschouwing der op het melos betrekking hebbende opmerkingen zien wij hier geheel af; ook Schrége's opvattingen omtrent de klemtonen, waarvan hij wel twaalf verecnülende hooger en lager künkende trappen onderscheidt, willen wij niet opzettelijk bespreken. Hier dient echter de nadruk gelegd op het feit, dat hij opnieuw met een Nederlandsche quantiteitentheorie voor den dag komt en die nu plaatst naast de klemtoontheorie tot in haar jongste verfijning. Zoo tracht hij dan afzonderhjk eerst het lang of kort van den klank der lettergreep uit zich zelf, en daarna (in zijn 2e afdeeling) de regels van den woordklemtoon te bepalen. Uitteraard zijn het gewoonlijk de betrekkehjk-langste lettergrepen waarop de klemtoon valt. Lengte positione kent hij niet. Van nature lang zijn alle afzonderlijke lettergrepen, met „gedubbelde klinkers" of „twee- en drieklinkers", voorts ook alle

») Vgl. de voorbeelden van een zeer harmonieus vers (blz. 82) en eenige met herhaalde dissonanten (blz. 84).

Sluiten