Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

waarin „de uitspraak geen twijfel overlaat" heeft de dichter geen regels noodig; die zijn alleen goed voor de taalkundigen, wien het om die wetenschap zelve te doen is; er zijn echter moeilijke gevallen te over, die wel een algemeene regeling behoeven (blz. CV vlg.). Van Alphen tracht dan op zijn beurt een indeeling te geven, waarbij hij lange en korte lettergrepen onderscheidt, rekening houdende tegehjk met het klankgewicht en met den klemtoon; hij bouwt voort vooral op Moonen en Schrage, kiest zijn eigen weg tusschen hen beiden en wijkt ook wel eens geheel af. Zoo wanneer hij woorden van twee langen laat bestaan, als goedkoop, zeegroen, vleeschnat (blz. CVII) en aldus de mogelijkheid van spondeeën erkent, die hij voor zijn Grieksche metra ook niet had willen missen. In samengestelde woorden zijn „alle de zakelijke deelen" lang, hoewel dan „de uitspraak op de eene wat meer klank doet vallen dan op de andere" (blz. CVIII). In 4 regels vat hij zijn leer samen, waarbij nog komen een 4-tal meer bijzondere voor eensylbige voegwoorden, voorzetsels enz. en een korte opmerking onder de „Bijvoegsels en Verbeteringen". Hij was zich bewust niet veel nieuws aan te brengen; zijn werk was slechts een poging om orde te scheppen, in plaats van de bestaande schadehjke „onbestemdheid". Intusschen heeft niet alleen die „onbestemdheid" den dichter in

rig was om daarbij te worden uitgegeven; bovendien was Hesselink's boek juist verschenen Bij alle waardeering en hoffelijkheid kan hij het met dezen met in alle opzichten eens zijn, vooral niet waar hij een zeker verband tusschen diens regels en de nieuwe Siegenbeeksche spelling meent op te merken, van welke hij geen aanhanger is; spelling is in ons vrije land steeds een zaak van persoonlijke overtuiging geweest.

Het zij dan genoeg, hier kortlijk te zeggen, dat ik in veele opzichten de keurige regelen van den doorletterden Hieronymus van Alphen benoude, en dikwerf ook die van onzen geleerden nabuur Voss volge" (wiens Zeitmessung in 1802, als Beilage zuden Oden und Elegieën, verschenen was). Daarbij merkt bij echter tegen v. Alphen op dat hij het verwerpen van ancipita, in de plaats van de bedoelde eenvoudigheid te bevorderen., veeleer als een middel tot nog grooter verwarring" beschouwt „en insgelijks de Latijnsche of Grieksche Prosodie niet op eene taal toepassen kan, welke bijna nog eens zoo vele medeklinkers gebruikt, dan die der beide voornoemde Volkeren. Hun regel van de positie, naamlijk, ... kan, mijns erachtens, op onze taal niet worden aangewend . Dienvolgens steUe ik alle éénlettergrepige woorden... welke geene zelfstandige of bijvoeglijke naamwoorden zijn, en niet tot eenig werkwoord [behalve de

behulpzaame werkwoorden" zijn, hebben en worden] behooren... als anctpOa.... Insgelijks ben ik van oordeel, dat onze taal geene zuivere Pyrrichien noch Spondéen in enkele woorden van twee lettergrepen bezit, maar dat eene dier beiden altijd eene overheersching over de andere uitoefent, en dat men zich dus hierin naar den toonval richten moet"... (Voorrede voor de Gedichten blz. XII —XVII).

(Aangaande de spelling merkt hij (blz. IX) op dat hij, hoewel zelf uit de daarvoor te boek staande streek tusschen Maas en Rijn afkomstig en daar woonachtig, nooit het verschil in klank tusschen de scherp- en zacht-lange e en o heeft kunnen waarnemen].

Sluiten