Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

geoorloofd, zelfs niet ongevallig tot onderbreking. Maar „er moet bestemdheid der voeten, eene bevallige melodie, eene sprekende cadans plaats hebben in zulke voetmaten, waarin men het juk van het rijm afschudt — zoodanig is b.v. het Sapphicum, het alcaïcum1), het hexameter" (blz. CLXII). Op deze wijze vormt zijn zienswijze aangaande den alexandrijn een geheel met zijn overige prosodische denkbeelden.

P. L. v. d. Kasteele. — Van Alphen's Vriend P. L. van de Kasteele bleef den eens met dezen te samen ingeslagen weg der rijmlooze verzen trouw; men vindt ze in zijn Gezangen (Utrecht 1790) en in zijn vertalingen van De Gedichten van Ossian (Eerste deel, Amsterd. 1793) en Oden van Klopstock en Wieland (Haarlem 1798). De Voorrede van den Ossian bevat een apologie der rijmlooze verzen, die volgens hem als minstens gehjkwaardig naast de alexandrijnen gebruikt kunnen worden (blz. XXV vlgg.); als een argumenttenbewijzevanhunnemogehjkheidinhetNederlandsch, haalt Van de Kasteele, evenals Van Alphen zelf reeds vroeger, aan dat „zelfs kinderen" er smaak in vonden, ja dat zij die „bij voorkeur boven gerijmden opzochten"; Van Alphen had er in zijn kinderdichtjes de proef mee genomen („Wij zaten laatst bij Saartje" en enkele andere). De moeüijkheden der prosodie neemt Van de Kasteele minder zwaar op dan zijn vriend. Men zegt dat er een „nauwkeuriger bepaling van de langheid en kortheid van de uitspraak onzer woorden en lettergreepen" vereischt is dan wij tot nog toe hebben. Deze bedenking hjkt hem voornamelijk voortgekomen uit de neiging om „de regels der Latijnsche en Grieksche prosodie op die van onze Noordsche talen" toe te passen, „schoon het bijzonder taai-eigen van dezelven een onderscheiden uitspraak vordert, en daarom ook de meerder of minder tijd, tot die uit' spraak noodig, door onderscheiden regels schijnt bepaald te moeten worden. Het bestek dezer voorrede gedoogt niet, dit breeder uit te breiden, terwijl het ook tot mijn oogmerk thans onnoodig is". Of hij zelf nu heldere begrippen omtrent die „onderscheiden" regels der Noordsche talen gehad heeft, valt niet uit te maken;

i) Eenige jaren later wees [v. AlphejN in rijn Brief voor het 2e stukje van De Poëtische Spectator (Amsterdam 1786), op grond van zijn regels enkele prosodische fouten aan in de alcaici eener Ode uit de Proeven voor het Verstand enz. (blz. 87 vlg.)

Sluiten