Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortzetters der klassieke leer.

91

Grieksch-klassicistische rijrnlooze dichtkunst vondenindepraktijk beide hun aanhangers; in de theorie was reeds grondig voorbereidend werk gedaan. De tijd scheen rijp tot een poging om het geheele vraagstuk van den Nederlandschen versbouw, in het licht der twee bestaande richtingen, aan een samenvattend onderzoek te onderwerpen. Zoo schreef dan de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen een prijsvraag uit, verlangende een: „Proeve eener Hollandsche Prosodia, oordeelkundig gegrond op, en door het Gehoor getoetst aan de Uitspraak onzer Taal, door het beschaafde Gedeelte onzer Natie, en toegepast op het Rythmus en Metrum der Ouden, in zoo verre beiden in onze Hollandsche Dichtkunde zouden kunnen worden ingevoerd". Deze prijsvraag gaf aanleiding tot twee werken van onmiskenbaren invloed, die eigenlijk nimmer door een volledige nieuwere theorie zijn vervangen: (1) Hollandsche Dichtmaat en Prosodie, toegepast op het Rythmus en Metrum der Ouden enz. door Gerrit Hesselink, Hoogleeraar bij de Doopsgezinden te Amsterdam, verschenen in 1808 te Amsterdam, doch niet bij de Maatschappij ingezonden; en (2) Proeve enz. (titel gehjk aan de prijsvraag) door Mr. J. Kinker, bekroond in 1808, en in 1810 als eerste deel van de Werken der Hollandsche Maatschappij uitgegeven.

Als (3) laten wij hierop volgen de beschouwingen, die Bilderdijk geruimen tijd daarna in twee uitvoerige opstellen neerlegde. Hoewel deze niet in onmiddelhjk verband staan met de genoemde prijsvraag, sluiten zij toch door hun grondstellingen en methode in hoofdzaak aan bij de opvatting van het vraagstuk, zooals de Hollandsche Maatschappij dat thans onder woorden had gebracht. Natuurlijk had Bilderdijk zijn eigen meening en trachtte hij ook niet deze eenigszins met die van anderen overeen te brengen; toch zijn de verschillen niet altijd zoo groot als hij zelf zou willen doen gelooven. Intusschen staat hij in het oog van latere 19e-eeuwsche schrijvers over onzen versbouw zeker als derde autoriteit naast Kinker en Hesselink, vaak zelfs eenigszins als bemiddelaar tusschen beiden.

G. Hesselink. — Zoo al geen beslist tegenstander van het moderne rijmlooze, blij kt Hesselink toch in den grond een aanhanger van het oude „gewone" te zijn. Hij tracht de beide bestaande systemen met de meeste nauwgezetheid te beproeven, wijst onvolledig-

Sluiten