Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

93

moeten in het Vers ook zoodanig gesteld zijn, dat zij naar dejtf1 gang der Maat den klemtoon kunnen ontvangen" (blz. 45—4v). Eentonigheid hoeft men daarom nog niet te vreezen, daar men door versnelling en door hooger en lager toon steeds toch voldoeÏH de uitdrukking in de voordracht kan leggen. Nu treft men ook bij de meest vermaarde dichters talrijke verzen aan, waarin de vereischte klemtonen op de juiste plaats niet goed hoorbaar gemaakt kunnen worden; zelfs Cats „in wiens Verzen anderzins eene overmate van zoetvloeiendheid heerscht, tot eene vervelende eentoonigheid toe, heeft dit gebrek mede niet ontgaan" (blz. 51). De fouten zijn van tweeërlei aard: men vindt de plaats, waar de maat een klemtoon eischt, ingenomen door een lettergreep die daartoe ongeschikt is, met name door een dier „kleine woordjes, die wij in de uitspraak pas aanroeren, zonder eenigen nadruk, en vanhier zoo snel uitspreken, dat er nimmer de klemtoon op kan vallen zonder groote onvoegzaamheid" (blz. 53); of: men vindt op de plaats, waar de maat den klemtoon verbiedt, woorden of syllaben die, al hebben zij ook in den zin geen bijzonderen nadruk, toch uitteraard „te moeijelijk" zijn „om, zonder vertoeving of toongeving, zoo snel te kunnen worden uitgesproken, als de Maat vereischt". En zoo eindigt Hesselink's beschouwing der „gewone" maat met de woorden: „Staat dan bij de juiste Toonplaatsing ook nog te letten op de geschiktheid der Lettergrepen zelve, of zij uit haren aard voor het ontvangen van den klemtoon vatbaar zijn, gelijk wij gezien hebben, dat zij zulks niet alle zijn, daar anderen dezelve niet kan ontnomen worden, terwijl dezen te traag, genen te snel worden uitgesproken; zoo ontstaat hieruit de vraag: Hebben wij dan in onze Taal, even gehjk de Grieken en Latijnen, lange en korte Lettergrepen; en kan of moet hiervan in onze Dichtkunde gebruik gemaakt worden?" (blz. 93 vlg.).

Deze vraag, zoo gesteld, beantwoordt hij ten slotte bevestigend, en wel op grond van een overweging, die men een physiologische in kiem zou kunnennoemen. Hesselink trouwens was ook natuurkundige. Immers afgezien van het feit,, dat het, buiten den klemtoon, zeer onaangenaam zijn zou, dat wij, in woorden van verscheiden Lettergrepen, op alle dezen even lang vertoefden", is het inderdaad „ook onmogelijk, dat wij alle Klanken, en dus ook alleLettergrepen, welke ons die klanken vertegenwoordigen, even snel kunnen uitspreken", daar sommige „door ligte en eenvoudige bewe-

Sluiten