Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

98 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

tergrepen in het Nederlandsch was voor Kinker een exact taalphilosophisch streven op zich zelf. Het instrument waarmee hij zijn proeven nam, was zijn eigen fijn ontwikkeld oor; subjectiviteit was dus onvermijdehjk. Hiermee worden zijn opmerkingen echter allerminst waardeloos; een geheel exacte, althans objectieve waarneming door mechanische instrumenten, als waarvan de tegenwoordige physiologie zich kan bedienen, leidt tot resultaten^ die ook niet zonder voorbehoud gebruikt mogen worden. Voor den taalonderzoeker en den metricus in het bijzonder gaat het immers niet zoozeer om de exacte kennis van trilhngsgetallen, intervallen en duurverhoudingen, maar veeleer eigenlijk om de indrukken van harmonie, regelmatigheid of evenredigheid, die deze door of niettegenstaande hun exacte eigenschappen voor het gehoor opleveren. De individueele psychologische waarneming zal niet steeds aan de objectief physiologische beantwoorden, en zeker valt uit cijfers of curven nooit afdoende te lezen, of en in welke mate het opgenomen klankgeheel voor het oor bevredigend is.

Dit natuurwetenschappehjke doel mag men niet over het hoofd zien bij de beoordeeling van Kinkers breedvoerige hoofdstukken over de „toonkunde en maatkunde der spraak". Deze bedoeling, niet dus onnadenkende overneming, bracht hem ertoe de oude klassieke onderscheiding voor het Nederlandsch nogmaals na te gaan, en een minutieus onderzoek te wijden aan de relatieve lengte der lettergrepen. De „Maatkunde der spraak" (blz. 140 vlgg.) is de leer van de tijdsverhoudingen, die evenals in de muziek, naast en tezamen met de toonhoogte den gang der „melodie" bepalen. „Hetgeen de gehjktijdige rangschikking en orde der deelen in]de ruimte voor het gezigt is, is de gelijkmatige afdeeling van den tijd in eenen zamenhangenden volgreeks, voor de waarneming in het algemeen, en voor het gehoor, in het bijzonder". De „evenredigheid" der tijdverdeeling wordt in de muziek „meer gestreng en volstrekt in zijne afmeting" vereischt; in de spraak is zij „vrijer en schijnbaar onregelmatiger", zooals in het recitatief en bij het declameeren van verzen reeds duidelijk te hooren is. „De evenredigheden in het vrije schoon van eene bloem, dringen zich niet met de strenge afgemetenheid van de deelen eens bouwkundigen geheels aan het oog op." Zoover Kinker. In dit beeld blijvende stemmen wij toe, dat het voor den natuuronderzoeker belang heeft den aard en den groei van elk afzonderlijk deeltje der bloem na te gaan; hij

Sluiten