Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

102 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

meters betreft. Het is zeker dat zy in onze taal nu en dan voor een aartigheid gelden kunnen, maar inderdaad niet dan belachlijk zoo

wel als vermoeiend zijn . Deze verzen behooren tot eene taal

waarin de quantiteit der woorden door zich-zelve bestaat en dus onveranderhjk, altijd even zeker, zich-zelve gelijk, en volstrekt onafhankhjk van den accent is, maar deze integendeel door de quantiteit wordt bepaald.... By ons is het omgekeerd. Onze taal hangt geheel en al aan den accent, en deze bepaalt de lengte der sylben in de uitspraak" (N. Versch. II, 162 vlg.). Dit geeft Bilderdijk's standpunt ten opzichte van het eigenlijk metrische in onze verzen, in het kort weer; de quantiteit volgt in onze taal den klemtoon, maar zij is intusschen toch als een werkelijk vast verschil in duur waarneembaar. In het afzonderlijke hoofdstuk „Van de Maat" (N. Versch. I, 101 vlgg.) wordt het lang en kort, de „meerdere of mindere during der lettergreep of der vocaal in een lettergreep, tot haar uitspraak vereischt, of daar by in acht genomen", dan ook beschouwd als een in onze taal wel afzonderlijk te onderscheiden eigenschap, die echter in hooge mate afhankelijk is van den „toon of accent". In de 12 „Korte Grondregels" (t. a. p. 106 vlgg.) is steeds met den klemtoon rekening gehouden bij de duurbepaling. Die regels wijken dus hierin van Kinker's klassentafel af, dat deze daar juist trachtte eerst den natuurlijken duur te bepalen, alvorens den invloed van den klemtoon daarop te laten zien, welke twee hij dus meer als gescheiden werkende krachten beschouwde. Overigens valt op te merken, dat Bilderdijk de verlenging door positie voor het Nederlandsch zonder meer ontkent. Naast deze bepaling van een goeddeels op den klemtoon berustende quantiteit, dient echter, voor het gebruik daarvan in verzen, nog een tweede punt in het oog gehouden te worden. In hoeverre namelijk worden nu dergehjke lange of korte lettergrepen door de voetmaat op bepaalde plaatsen in het vers vereischt ? Onze dichters van den aanvang der 17e eeuw merkten terecht op „dat de welluidendheid, in welk soort van verzen dan ook, noodzakelijk afhing van eene algemeene overeenstenuriing van den gantschen loop of val van het vers, in eene éénsoortige opvolging en afwisseling* van korte en lange, of toonlooze en geaccentueerde grepen" (N. Versch. II, 112).... „Die algemeene overeenstemming nu en regelmatige afloop van het gansche vers... bracht weldra eene meerdere volkomenheid bij ons voort, en de scheering (om het dus

Sluiten