Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

105

werden. Eene Prosodia mag zich nimmer verwyderen van de eigenaerdige en natuerlike uitspraek des volks. Wie metrische verzen leest, moet niet verplicht zyn, de tael te verwringen, of vooraf het schema des dichters in 't geheugen te hebben. De lange silben moeten eenvoudig lang, de korte, kort gelezen worden. De wankende silben, die in grooten getalle zyn, moeten zoodanig geplaetst worden, dat zy in 't vers niet meer wankend, maer wel bepaeldelik lang of kort zyn. Dat is de geheele kunst; wie verzen schryft, behoeft die kunst te kennen; hy, wie ze leest, niet." Zoo opent het Voorbericht; met die „eenvoudig lang en kort gelezen" silben, en nog wel zonder dat de lezer zich vooraf het schema hoeft te hebben ingeprent, zou Dautzenberg den steen der wijzen gevonden hebben. De vindplaats van deze wijsheid nu blijkt bij nader toezien te zijn de beknopte Verslehre achter Dr. Joh. Christ. Aug. Heyse's Deutsche Schulgrammatik oder kurzgefasstes Lehrbuch der deutschen Sprache1). Feiteüjk is er tusschen Bilderdijk en Heyse nauwelijks eenig verschil in standpunt waar te nemen. Misschien kende Dautzenberg de in de Verscheidenheden verspreid uitgegeven beschouwingen van Bilderdijk niet, of was hij afkeerig van den man, die zoo weinig waardeering had voor de rijmlooze klassieke versvormen. Misschien ook waren die uiteeenzettingen hem te ingewikkeld. De eenvoudige schoolregels van Heyse zijn ongetwijfeld makkelijker te hanteeren; Dautzenberg's boekje is niet veel meer dan een eenigszins uitgebreide vertaling daarvan. In dezelfde jaren schreef Mr. Prudens van Duyse zijn Verhandeling over den Nederlandschen Versbouw, bekroond in 1851 door de 2e klasse van het Koninkl. Nederl. Instituut en verschenen te 's-Gravenhage 1854. Dautzenberg bewerkte zijn Prosodie in 1848, hetzelfde jaar waarin het Instituut de door Van Duyse beantwoorde prijsvraag uitschreef. Deze laatste nu geeft in het 2e deel van zijn verhandeling (blz. 108 vlgg.) ook een Beknopte Prosodia, die evenzeer op Heyse berust2). In hoofdzaak komen zij dus samen met dezen overeen.

') Hier aangehaald volgens de 19e uitg. Hannover 1859.

») Van Duyse zal Dautzenberg's geschriftje vóór de uitgave, misschien voor er van uitgave sprake was, hebben gezien; op blz. 104 haalt hij eenige zinnen aan, hem door „een kunstvriend" geschreven, die op enkele woordverschillen na met Dautzenberg's Voorbericht overeenkomen; van de sedert gevolgde uitgave maakt hij melding in zijn Voorbericht blz. VIL

Sluiten