Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

cinnum in Belgico prorsus, nisi accentus sit, ubi longa requiritur; nihilque aurem boni poetae Belgici offendit magis. In accentus tarnen decoro consistit praecipua carTninis virtus & elegantia: is facit, ut mollius fluat, ut genuina sit modulatio; ab accentu est carmen, & quidam quasi cantus" (p. 169)1). Dat staat lijnrecht tegenover de latere opvatting van Is. Vossius! Verder munt het Nederlandsche vers uit boven dat der klassieke volken door de nauwkeuriger toepassing der caesuur die het eischt, en dan nog door het gebruik van den „rythmus" [= het rijm].

P. Scriverius. — De bijzondere voortreffelijkheid van onze taal, en haar geschiktheid voor een zoo uiterst verfijnde dichtkunst, wordt ook door P. Scriverius in zijn „Voor-reden" bij Dan. Heinsii Nederduytsche Poëmata (Amsterdam 1616) breed uitgemeten. Immers hebben „jae self de voornaemste Fransoysen... veel fauten begaen... niet lettende op den toon ende mate vande woorden, die zij merckelicken gewelt doen. Gehjck oock meest de onse, die tot noch toe eenich gedicht in haer moeders tale geschreven ende uytgegeven hebben" (blz. 6, 7). Men moet dus juist volstrekt niet te veel naar het Fransche voorbeeld zien; wij kunnen het zelf veel beter maken in onze zuivere oorspronkelijke taal. Tot nog toe is er hier echter niet veel goeds geleverd (blz. 15):

„U neem ick alleen uyt, ö constich Amsterdam !.... Het Hooft dat steeckt ghy op. ick sie uyt uw maras Yet rijsen in de locht: ick sie een nieu Parnas. Den wech hebt ghy gesien. en datter aen mach faelen, Dat sult ghy metter tijdt van Heücon gaen haelen. Van 't Hehcon, dat hier een ander H e y n s t doet op".

Dit „Hooft" had inderdaad, wat toon en maat betreft, toen nog geheel andere gedachten, en wij zullen zien hoe hem nog veel later

*) In een Addi t amentum tot dit hoofdstuk levert Van der Mijl kritiek op de Duitsche en Fransche pogingen om klassieke metra na te bootsen van Gesnerus en Nic. Nisotus, die tegen de natuurlijke klemtonen gezondigd hebben, doordat zij „videntur veile sequi leges La tin as, in cons titutione syllabarum longarum & brevium, per positionem, & reliquias prosodiae de quantitate syllabarum, regulas." Hij daarentegen houdt het ervoor „quantitatem... nobis Gallisque esse metiendam ex solo accentu"; en wanneer men dan de navolging het zuiverst wil maken, zorge men dus „ut eo loco metri Latini, ubi longa syllaba praecipftur, ponatur syllaba cum accentu, ubi brevis, sine accentu...; percipietur non modó suavior modulatio, faciliorque carminis cursus, sed etiam modulationi Latinae convementior" (p. 259). Dat hijzelf echter in zijn Sapphici weer anders deed en het geheele „metrum Latinum" verving door een Nederlandsch alterneerend rythme werd boven (blz. 51) aangewezen.

Sluiten