Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

129

vooral expiratorische opvatting van het accent. Voorts is bovenal van belang de poging, om de toelaatbare afwijkingen van het eenparig schema onder regels te brengen. Hier bhjkt de invloed van Vondel, die leidt naar een geringe toenadering tot de Romaansche vrijheid, tegenover de zeer strakke regelmatigheid die een Huygens eischte. Een verdienste van die regels is, dat er rekening gehouden werd met de betrekkelijkheid der tonen onderling, waardoor bij sommige toegelaten vrijheden het gebruik van een middeltoon tot behoud van het evenwicht geëischt werd.

A. Pels. — Zooals te verwachten is komen de lessen, die A. Pels over den versbouw geeft in zijn „Q. Horatius Flaccus Dichtkunst, op onze tyden, én zéden gepast" (Amst. 1677), in hoofdzaak met de Verhandeling overeen:

„De Trant bestaat by ons alleenhjk in de toon, En alle vaerzen zijn in 't Néderduitsch gewoon Op éénerleye wijs van trant, óf dans te weezen, Als vaerzen, dienstig tót opzéggen, óf tót leezen;"

in liederen bestaat groote verscheidenheid van trant, evenveel als er verschil „in maat, én toonen van de nooten wordt gevonden:

Omdat de Lied'ren aan de zangkunst zijn gebonden,

En niet aan de Opzégkunst; waar in door 't gansche land

Geen onderscheidene, maar éénerleye trant

Gebruikt wordt; én 't verschil van onze vaerzen moeten

Wy leeren kénnen uit de veelheid van de voeten.

Twé greepen maaken zulk een' voet in 't Neêrduitsch uit,

Van wélke de eerste laag, de twéde hooger luidt" (blz. 6—7).

Pels beperkt zich hier dus ook tot den „gewoonen trant" en trekt de grens van de opzeg- of lees-verzen zelfs nog nauwer, door hiervoor den iambischen gang te eischen. Hij gebruikt den term „voet", die in de Verhandeling geheel niet voorkomt, en wel in het bijzonder om bij voeten te kunnen tellen; of hij overigens aan dit begrip iets hecht bhjkt niet. In afwijking van het scherp en zwaar der Verhandeling duidt hij de twee lettergrepen die „zulk een' voet" vormen aan als laag en hooger, waarmee hij nog een stap verder nadert tot de melodische accentopvatting van Huydecoper. Door den vorm hooger en niet hoog te kiezen, geeft hij ook blijk de betrekkelijkheid der verhouding in te zien. Hij beschouwt dan

9

Sluiten