Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

verschillende soorten van verzen en onderscheidt die naar het aantal der voeten. Dat aantal voeten is het wat in zijn theorie de „maat" van het vers heet1). Alle niet-iambische en niet binnen de geijkte lengte blijvende verzen rekent hij tot de liederen, waarin de trant steeds het „onderscheid in maat én toonen van de nooten" moet volgen, d. w. z. waarin de verzen zich, wat betreft hun lengte en accentplaatsen, naar de zangwijs moeten schikken.

Naast de meer metrisch-geleerde beschouwingen der verschillende spraakkunst-schrijvers van het begin der 18e eeuw, zal déze opvatting, vooral in den vorm van Pels-Horatius, onder de dichters gangbaar zijn gebleven2); wij vinden haar door Huydecoper voortgezet.

BaUh. Huydecoper. — In de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde is Balthasar Huydecoper een gedenkwaardige persoonlijkheid; een ontdekker en nieuwlichter niet alleen, maar ook een geest van eerbiedwekkende fijnheid en bekwaamheid. Het is zeker reeds een eer voor een geleerde, indien zijn werk nog na anderhalve eeuw wordt opgehaald, om als toonbeeld te dienen van hetgeen een jong geslacht voor dwaas en verouderd houdt. Deze eer is aan Huydecoper niimschoots ten deel gevallen; wij zullen hem hier nog andere herdenking kunnen schenken, door het volle licht te doen vallen op de zeer bijzondere en persoonlijke verdienste van een gedeelte van zijn werk. Tegenover de eenzijdige, onberedeneerde, vage of halfdoordachte opmerkingen, die de Nederlandsche verstheoretici tot in zijn tijd hadden voortgebracht, zal hij voor het eerst een beschouwing stellen, die een

») Zoo ook in het 3e hoofdst. „Van de Natuur en Eigenschappen van een Gedicht' in N. V. A.'s „Nauwkeurig Onderwys in de Tooneel-Poëzy" enz. voor het eerst gedrukt te Leiden 1765, blz. 45: „In de Vaerzen zyn aan te merken.de Trant, de Maat, en het Rym" ..., blz. 46: „De Maat is verscheide, naar de verscheidenheid der lengte van de regels, waar van de langste dertien sillaben zyn, en de kortste zes, om goet te zyn." Dit hoofdstuk is volgens het Register van Pels. De meening van Huydecoper betreffende de beteekenis van het woord „maat" bij Pels is dus onjuist (Proeve blz. 178, 2e uitg. I, 401; zie beneden, blz. 136).

») Hier zij slechts terloops genoemd „Het Toetsteentje der Nederduytsche Toneel en Mengel-Poesye" [er staat Hengel-!] in Lud. Smids Poësye. Amst. 1694, blz. 253274; deze gebruikt weer den term klank voor klemtoon, evenals Vondel en Moonen, en eischt dat daarop streng gelet wordt, vooral ook bij klassieke eigennamen (blz. 259); ook aan de snede stelt hij scherpe wetten „nochtans is 't spouwen in een koppelwoord te lyen" (blz. 270); verder vermeldt hij niets dat met den „trant" te maken heeft; hij gebruikt den term „rymtrant" als opschrift voor regels over zuiverheid en schikking van het rijm.

Sluiten