Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

141

gebeurde onbewust in onzen tijd door J. v. d. Eist *) die het begrip „hoger rythme'' invoerde, doch zijn inzicht aan Paul Verrier en Ernst Zitelmann moest ontleenen.

Lambert ten Kate. — In den tijd waarin Huydecoper's theorie ontstond, werkte te Amsterdam nog een ouder geleerde, die door de latere wetenschap als een hoogst verdienstelijke wegbereider is erkend; en ook deze, Lambert ten Kate, heeft zijn gedachten over den Nederlandschen versbouw laten gaan. Hij stelde die te boek in een verhandeling, die onder den titel „Oeffen-Schets over het vereisch der Dichtkunst beneevens eenige van haare Bijzondere Deelen" in handschrift bewaard is gebleven 2). Dit geschriftje, zooals wij het bezitten, is een onafgewerkte, althans niet zeer evenwichtige studie, een poging tot beschrijving en samenvatting van de bestaande versbouwkunde, door Ten Kate blijkbaar in verschillende tijden bewerkt of overgewerkt. Het is gedateerd 1724. Sommige uitlatingen wijzen inderdaad op dezen tijd; zijn „Aanleidinge" van 1723 bhjkt reeds verschenen (blz. 136 bij v. d. Hoeven), hij haalt de Gedichten van Joost van Geel 1724 aan (ib. 130, 140). Daarnaast echter staat tot tweemaal toe een verzoek om „verschooning" voor zijn „jongheid" en voor zijn invallen „uit jeugdige harsens gebooren" (ib. 126, 136), wat op den in 1724 juist 50-jarige niet wel van toepassing kan zijn. Hoe dit zij, de Oeffenschets bewaart ons de opmerkingen over dit onderwerp van een man, wiens oordeel op zich zelf reeds eenig belang moet inboezemen, al toont hij zich op dit gebied minder als ontdekker dan als vlijtig verzamelaar en rangschikker. Zijn tweede hoofddeel Van de Versmaat heft aan met een verklaring van onze armoede, in vergelijking met de klassieken, wat betreft het aantal gebruikelijke versvoeten: zij hebben „velerlei soorten van voeten, en wij maar twee. Zij hebben 'er wel agtèntwintig; vier twee-silbigen, agt drie- en zestien vier-silbigen; en wij geene anderen dan die zij Jambi of Chorei noemen. De Jambus is die welke eene korte silb laat voorgaan voor eene lange... en de Choreus voegt de lange voor de korte ... die elk bijzonder en geenzins gemengeld moeten gebruikt worden". Een tweede

') Vergelijk de artikelen van dezen schrijver in Nieuwe Taalg. IX.

*) Univ. Bibl. Amsterdam; uitgegeven in het Utrechtsch proefschrift over L. ten Kate van A. van der Hoeven, *s Gravenhage 1896, blz. 121 —141, waarnaar hier wordt aangehaald.

Sluiten